ECLI:NL:RBUTR:2010:BM0376
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot beëindiging huurovereenkomst wegens onvoldoende grond en belangenafweging
In deze zaak stond de vraag centraal of de huurovereenkomst tussen Bouwbedrijf [X] B.V. en [Y] Vastgoed B.V. enerzijds en de huurder op grond van artikel 7:274 lid 1 sub a en Pro d BW kon worden beëindigd. De eiser stelde dat de huurder het gehuurde niet als woonruimte gebruikte en niet instemde met een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs was geleverd dat de huurder het gehuurde niet als woonruimte gebruikte. De huurder was ingeschreven op het adres en verbleef er regelmatig, wat door de eiser niet overtuigend werd betwist. Foto’s die zouden aantonen dat het gehuurde als opslag werd gebruikt, waren onvoldoende bewijs. Ook het niet instemmen met bouwplannen was onvoldoende om te concluderen dat de huurder zich niet als een goed huurder gedroeg.
Ten aanzien van het aanbod tot een nieuwe huurovereenkomst oordeelde de rechtbank dat de belangen van de huurder zwaarder wogen. De voorgenomen bouwplannen zouden het woongenot verminderen, en het was onduidelijk of en wanneer een bouwvergunning zou worden verleend. Hierdoor kon niet redelijkerwijs van de huurder worden verlangd het aanbod te accepteren.
De vorderingen tot beëindiging van de huurovereenkomst en tot gedogen van de verbouwing werden afgewezen. De eiser werd veroordeeld in de proceskosten van de gedaagde.
Uitkomst: De vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.