ECLI:NL:RBUTR:2010:BL6185
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak primair feit valsheid in geschrifte, veroordeling medeplegen schijntransacties voor BTW-fraude
De rechtbank Utrecht behandelde op 16 februari 2010 een zaak waarin verdachte werd verdacht van valsheid in geschrifte door het opmaken van facturen van schijntransacties om BTW-fraude mogelijk te maken. Verdachte was niet aanwezig, wel zijn raadsman. De rechtbank verwierp het verweer dat de dagvaarding nietig was en oordeelde dat de tenlastelegging voldoende duidelijk was.
Uit het bewijs, waaronder verklaringen van een medeverdachte en getuige, en diverse documenten, bleek dat verdachte samen met anderen betrokken was bij het opmaken van valse facturen die een fictieve handelsstroom suggereerden. De rechtbank stelde vast dat er sprake was van schijntransacties zonder daadwerkelijke levering van goederen, met als doel BTW-fraude. Verdachte gaf echter niet feitelijk leiding aan het opmaken van de facturen.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit, maar verklaarde het subsidiair ten laste gelegde feit van medeplegen van valsheid in geschrifte bewezen. Verdachte werd veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur met een vervangende hechtenis van 120 dagen bij niet-nakoming. De strafrechtelijke beoordeling hield rekening met de ernst van de fraude, de internationale impact en het persoonlijk financieel gewin van verdachte.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit, maar veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur wegens medeplegen van valsheid in geschrifte.