ECLI:NL:RBUTR:2010:BL1909
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.V.M. Veldhoen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot herroeping verstekvonnis en opheffing beslag bij borgstellingsovereenkomst
De zaak betreft een vordering van eiseres, woonachtig in Spanje, die zich in 1996 borg had gesteld voor een krediet van haar zoon bij de Kredietbank Utrecht (KBU). Na verzuim van kredietnemers werd eiseres hoofdelijk veroordeeld bij verstek tot terugbetaling van de kredietsom. Eiseres stelde dat de vordering ten tijde van het verstekvonnis was verjaard en dat de executie van het vonnis misbruik van bevoegdheid opleverde, mede gelet op haar persoonlijke omstandigheden en het sociale karakter van KBU.
De rechtbank oordeelt dat het verstekvonnis en het kort geding vonnis inzake het beslag onherroepelijk zijn en formele rechtskracht hebben verkregen. Het beroep op herroeping ex artikel 382 Rv Pro faalt wegens onvoldoende onderbouwing en overschrijding van de termijn van artikel 383 Rv Pro. De vorderingen tot vernietiging van de borgstellingsovereenkomst en opheffing van het beslag stuiten af op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en eerdere onherroepelijke uitspraken.
Verder is geen sprake van misbruik van executiebevoegdheid door KBU. De beslagvrije voet is reeds toegepast sinds juni 2008. De rechtbank veroordeelt eiseres in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot herroeping van het verstekvonnis en opheffing van het beslag af en veroordeelt eiseres in de proceskosten.