ECLI:NL:RBUTR:2010:BL0681
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Teruggeleiding minderjarige naar Guatemala op grond van het Haagse Verdrag
De rechtbank Utrecht behandelde een verzoek tot teruggeleiding van een minderjarige die door de moeder zonder toestemming van de vader vanuit Guatemala naar Nederland was overgebracht. De vader had bij de Centrale Autoriteit een verzoek ingediend op grond van het Haagse Verdrag inzake internationale kinderontvoering. De rechtbank stelde vast dat de overbrenging ongeoorloofd was, omdat beide ouders gezamenlijk het gezag uitoefenden en de moeder geen toestemming had gegeven.
De moeder voerde aan dat terugkeer naar Guatemala een ernstig risico op lichamelijk of geestelijk gevaar voor het kind zou opleveren, vanwege de onveilige situatie in Guatemala, waaronder geweld, drugsoorlog en jeugdbendes. Zij verwees naar een gewapende overval op haar en het kind en reisadviezen van Buitenlandse Zaken. De rechtbank oordeelde echter dat de algemene situatie in Guatemala niet zodanig onveilig was dat terugkeer niet kon worden gevergd en dat individuele feiten onvoldoende waren om de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b HKOV Pro aan te nemen.
De minderjarige had in raadkamer verklaard terug te willen naar Guatemala en zich veilig te voelen bij haar vader. De rechtbank concludeerde dat het belang van het kind het herstel van de situatie voorafgaand aan de ontvoering vereist en dat de terugkeer op 22 februari 2010 moest worden gelast. Indien de moeder niet zelf terugkeert, moet zij het kind aan de vader afgeven zodat hij het kind kan meenemen naar Guatemala.
De uitspraak benadrukt de restrictieve uitleg van de weigeringsgrond en het belang van snelle terugkeer om de schadelijke gevolgen van internationale kinderontvoering te beperken.
Uitkomst: De rechtbank gelast de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Guatemala op 22 februari 2010.