ECLI:NL:RBUTR:2009:BM0389

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
18 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
264020 / HA ZA 09-64918 november 2009
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdracht over terugbetaling voorgeschoten betalingen in zakelijke relatie tussen evenementenbureaus

Tussen Evenementenbureau Midden Nederland B.V. (EMN) en Youngwise B.V. bestond een zakelijke relatie van medio 2007 tot eind 2008. EMN stelde dat zij vijf betalingen aan derden voor Youngwise had voorgeschoten ter waarde van in totaal EUR 32.594,20, welke Youngwise ondanks sommatie niet had terugbetaald.

Youngwise betwistte dat deze betalingen voor haar waren gedaan en stelde dat de kosten ten behoeve van EMN waren gemaakt in het kader van een doorstart van een dochtermaatschappij. Hierdoor rustte op EMN de bewijslast om de overeenkomst en de daadwerkelijke betalingen aan derden te bewijzen.

De rechtbank oordeelde dat uit de overgelegde stukken niet zonder meer de juistheid van EMN's stellingen kon worden afgeleid en droeg EMN op het bewijs te leveren, onder meer door getuigenverhoor op een nader te bepalen zitting. De verdere beslissing werd aangehouden totdat het bewijs was geleverd.

In reconventie vorderde Youngwise een bedrag van EUR 2.140,38 van EMN wegens voorgeschoten nutsvoorzieningen, welke vordering gelet op het ontbreken van verweer in beginsel toewijsbaar was, maar ook hiervan werd de beslissing aangehouden.

De rechtbank benadrukte dat partijen op een zitting getuigenverhoren kunnen verwachten en dat vertegenwoordigers van rechtspersonen bevoegd en goed geïnformeerd moeten zijn.

Uitkomst: Bewijsopdracht toegewezen aan EMN, verdere beslissing aangehouden.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK UTRECHT
264020 / HA ZA 09-64918 november 2009
Sector handels- en familierecht
zaaknummer / rolnummer: 264020 / HA ZA 09-649
Vonnis van 18 november 2009
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EVENEMENTENBUREAU MIDDEN NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Rhenen,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. A.A. Bart,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
YOUNGWISE B.V.,
gevestigd te Rhenen,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat voorheen mr. L.S. van Dis,
thans zonder advocaat.
Partijen zullen hierna EMN en Youngwise genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 13 mei 2009.
1.2. De advocaat van Youngwise heeft zich vervolgens aan de zaak onttrokken.
De reeds bevolen comparitie van partijen heeft geen doorgang gevonden.
1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. In ieder geval vanaf medio 2007 en tot eind 2008 heeft enige vorm van een zakelijke relatie bestaan tussen partijen.
2.2. Bij brief van 19 januari 2009 heeft EMN Youngwise gesommeerd om aan haar te voldoen een bedrag van EUR 68.953,19 wegens uit coulance voorgeschoten bedragen, waarbij is aangegeven dat het bedrag verrekend zal worden met eventuele achterstallige huurpenningen.
2.3. Youngwise heeft niet aan deze sommatie voldaan.
3. Het geschil
in conventie
3.1. EMN vordert - samengevat - veroordeling van Youngwise tot betaling van EUR 33.902,07, vermeerderd met rente en kosten.
3.2. Youngwise voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.3. Youngwise vordert - samengevat - veroordeling van EMN tot betaling van EUR 2.140,38, vermeerderd met rente en kosten.
3.4. Aangezien de comparitie van partijen geen doorgang heeft gevonden maar vonnis is gevraagd heeft EMN geen verweer gevoerd.
4. De beoordeling
in conventie
4.1. EMN heeft gesteld dat zij een vijftal betalingen aan derden voor Youngwise heeft voorgeschoten. De rechtbank begrijpt de stelling aldus dat EMN zich beroept op een (mondelinge) overeenkomst op grond waarvan zij een vijftal betalingen voor Youngwise aan derden heeft verricht die Youngwise aan EMN terug dient te betalen. EMN heeft gesteld dat Youngwise de voorgeschoten bedragen ondanks sommatie daartoe niet terug heeft betaald aan EMN. De vijf betalingen bedragen in totaal EUR 32.594,20, en bestaan volgens EMN uit de volgende bedragen:
a. Blom advocaten 2007 EUR 13.430,00
b. Blom advocaten 2008 EUR 7.985,68
c. Belastingdienst 2008 EUR 2.630,00
d. Overboeking t.b.v. kosten 2007 EUR 7.300,00
e. Invoned 2008 EUR 1.248,52.
4.2. Youngwise heeft gemotiveerd betwist dat EMN betalingen aan derden voor haar heeft verricht die zij terug zou moeten betalen. Youngwise heeft daartoe het volgende aangevoerd. Medio 2007 kwam een dochtermaatschappij van Youngwise, [X] Events B.V., in zwaar weer. De heer [Y] heeft hulp geboden in de vorm van een doorstart van de onderneming in een nieuwe vennootschap, waartoe EMN is opgericht met de heer [Y] als aandeelhouder en directeur. Vanuit EMN zijn de activiteiten van [X] Events B.V. voortgezet. Afgesproken is dat Youngwise in geval van een geslaagde doorstart de activiteiten terug zou krijgen. De kosten die EMN nu op Youngwise probeert te verhalen zijn kosten die ten behoeve van EMN zijn gemaakt.
4.3. Nu EMN zich beroept op de rechtsgevolgen van haar in 4.1 weergegeven stelling en Youngwise die stelling gemotiveerd heeft weersproken, rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 van Pro het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op EMN de last haar stelling te bewijzen. De betwisting door Youngwise leidt ertoe dat EMN dient te bewijzen dat zij met Youngwise is overeengekomen dat EMN de vijf in 4.1. vermelde betalingen aan derden voor Youngwise zou verrichten en dat Youngwise deze bedragen vervolgens aan EMN terug zou dienen te betalen, alsmede dat EMN die betalingen aan derden daadwerkelijk heeft verricht.
4.4. De rechtbank is met Youngwise van oordeel dat uit de door EMN overgelegde declaraties en bankafschriften niet zonder meer de juistheid van haar stelling kan worden afgeleid. Zo zijn de declaraties van Blom advocaten gericht aan EMN en vermelden als onderwerp [X]. Uit de overgelegde rekeningafschriften blijkt slechts dat enkele van de in 4.1. vermelde bedragen zijn betaald, maar niet door wie en op grond van welke afspraken.
4.5. In afwachting van de uitkomst van de bewijsopdracht zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.
in reconventie
4.6. Youngwise heeft gesteld dat zij op haar beurt een aantal bedragen heeft voorgeschoten voor EMN. Volgens Youngwise heeft EMN bedrijfsruimte van haar gehuurd en heeft zij de kosten van de nutsvoorzieningen voor EMN voorgeschoten, in totaal een bedrag van EUR 2.140,38.
4.7. Omdat geen verweer is gevoerd tegen de vordering, is deze in beginsel toewijsbaar. De rechtbank zal de beslissing, mede die ten aanzien van de gevorderde rente en de proceskostenveroordeling, aanhouden totdat in deze zaak een eindvonnis zal worden gewezen.
in conventie en in reconventie
4.8. Mede gelet op het feit dat de geplande comparitie geen doorgang heeft gevonden, merkt de rechtbank het volgende op. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen. Een rechtspersoon moet ter zitting vertegenwoordigd zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot vertegenwoordiging.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1. draagt EMN op te bewijzen dat zij met Youngwise is overeengekomen dat EMN de vijf in 4.1. vermelde betalingen aan derden voor Youngwise zou verrichten en dat Youngwise deze bedragen vervolgens aan EMN terug zou dienen te betalen, alsmede dat EMN die betalingen aan derden daadwerkelijk heeft verricht,
5.2. bepaalt dat, indien EMN het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. R.J. Praamstra in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op donderdag 11 maart 2010 van 9.00 uur tot 13.00 uur,
5.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank - ter attentie van de secretaresse (mevrouw H. Alberts kamer A.2.16) - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op de hiervoor genoemde zittingsdatum,
5.4. bepaalt dat EMN, indien zij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank -  ter attentie van de secretaresse (mevrouw H. Alberts kamer A.2.16) - en aan de wederpartij moet opgeven,
5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
5.6. houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
5.7. houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Praamstra en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2009. RP