ECLI:NL:RBUTR:2009:BK3280

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
23 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
SBR 09-2561
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WWBArt. 8:81 AwbArt. 9 WWBArt. 15 WWBArt. 18 WWB
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake weigering bijstandsuitkering op grond van niet-meewerken aan Work First traject

Verzoeker heeft een aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend die door verweerder is afgewezen op grond van artikel 15 van Pro de WWB, omdat verzoeker niet wilde meewerken aan het Work First traject bij Apprenti. Verzoeker weigerde een concreet aanbod voor betaalde arbeid en medewerking aan een psychologisch onderzoek.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan schending van zijn verplichtingen op grond van artikel 9, eerste lid, van de WWB. Echter is het volgens de voorzieningenrechter onterecht dat verweerder de uitkering geheel weigert op basis van artikelen 5 en 15 van de WWB; een passende sanctie zou een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB zijn.

Apprenti wordt niet beschouwd als een voorliggende voorziening buiten de bijstand, omdat het traject vooral gericht is op re-integratie en niet op werken. Het bezwaar tegen het besluit heeft redelijke kans van slagen, maar de voorlopige voorziening wordt niet toegewezen vanwege onzekerheid over het recht op bijstand en het risico van onmogelijkheid tot terugbetaling.

De voorzieningenrechter beveelt verweerder aan binnen twee weken op het bezwaar te beslissen en veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,-.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, maar verweerder moet binnen twee weken op bezwaar beslissen en wordt in proceskosten veroordeeld.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector bestuursrecht
zaaknummer: SBR 09/2561
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 oktober 2009
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats]
verzoeker,
tegen
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,
verweerder.
Inleiding
1.1 Het verzoek heeft betrekking op verweerders besluit van 28 augustus 2009 waarbij verzoekers aanvraag om een bijstandsuitkering is afgewezen op de grond dat er sprake is van een voorliggende voorziening in de zin van artikel 15 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2 Het verzoek is op 16 oktober 2009 ter zitting behandeld, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh. Tevens is verschenen [X], werkzaam bij Apprenti.
Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.
2.3 De voorzieningenrechter stelt voorop dat in een zaak als deze, waar het geschil een financiële aanspraak betreft, in beginsel slechts plaats is voor het treffen van een voorlopige voorziening indien op grond van de beschikbare gegevens met een grote mate van waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat het bestreden besluit in de bezwaar- en beroepsprocedure in rechte geen stand kan houden. Bovendien moeten feiten en omstandigheden aanwijsbaar zijn die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts zal in de afweging van de belangen van partijen mede worden betrokken de vraag naar het risico van onmogelijkheid van terugbetaling door verzoeker, indien deze door de uitslag van de bodemprocedure verplicht wordt het alsdan onverschuldigd betaalde aan het bestuursorgaan terug te betalen.
2.4 Verzoeker heeft aangevoerd dat hij sinds de beëindiging van zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet geen middelen van bestaan meer heeft en nu in betalingsproblemen dreigt te komen. Uit het door verzoeker overgelegde bankafschrift blijkt dat het saldo op zijn bankrekening op 21 augustus 2009 € 187,79 bedroeg. Verzoeker heeft aangegeven dat hij maandelijks vaste lasten heeft van € 311,30 aan huur en € 179,55 aan energiekosten. De voorzieningenrechter acht hiermee het spoedeisend belang voldoende onderbouwd.
2.5 Verzoeker heeft betoogd dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Zonder enige motivering is hij gedwongen tot deelname aan het re-integratietraject bij Apprenti, zonder dat hem duidelijk kan worden gemaakt wat de toegevoegde waarde is van deelname. Verzoeker heeft ondanks herhaalde verzoeken, geen uitleg gekregen. Verzoeker heeft in 2007 en 2008 al een kostbaar re-integratietraject doorlopen. Verzoeker heeft aangevoerd dat niet vaststaat dat Apprenti voor hem een toereikende en passende voorziening is.
2.6 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in de onderhavige kwestie niet met een grote mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand zal houden. Gelet op het weigeren van verzoeker het concreet aangeboden werk bij Apprenti te aanvaarden én vervolgens het weigeren mee te werken aan een psychologisch onderzoek ter beoordeling van geschiktheid, is verweerder van mening dat er op grond van artikel 15 van Pro de WWB geen recht op bijstand bestaat.
2.7 In artikel 5, aanhef en onder e, van de WWB is bepaald dat een voorliggende voorziening inhoudt elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.
2.8 In artikel 9, eerste en tweede lid, van de WWB, is (onder meer) het volgende bepaald:
1. De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:
a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
2.9 In artikel 15, eerste lid, van de WWB is bepaald dat geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
2.10 Uit de door verweerder overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat verzoeker op 20 augustus 2009 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, waar hij zich had gemeld voor een WWB-aanvraag, is doorverwezen naar Apprenti voor een introductiegesprek. Op 24 augustus 2009 heeft verzoeker een gesprek gehad met een medewerker van Apprenti, waarbij hem een arbeidscontract is aangeboden voor tweeëndertig uur per week tegen een salaris van € 1.268,06. Verzoeker heeft geweigerd dit contract te tekenen. Verweerder heeft verzoeker vervolgens in de gelegenheid gesteld zich te laten onderzoeken door een psycholoog om te bezien of er psychische belemmeringen zijn om bij Apprenti te werken. Verzoeker heeft geweigerd aan dit onderzoek mee te werken.
2.11 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker zich aldus, door een concreet aanbod voor betaalde werkzaamheden te weigeren zonder te willen meewerken aan een nader onderzoek naar geschiktheid, schuldig gemaakt aan schending van de verplichtingen als genoemd in artikel 9, eerste lid, van de WWB.
2.12 Verweerder heeft hieraan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter evenwel ten onrechte het gevolg verbonden om de uitkering te weigeren op grond van de artikelen 5 en 15 van de WWB. Bij een verwijtbare niet-nakoming van de door verzoeker geschonden verplichting is een sanctie op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB, aangewezen. De voorzieningenrechter wijst hierbij op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) neergelegd in de uitspraak van 30 januari 2007, LJN: AZ 8403 en de uitspraak van 8 januari 2008, LJN: BC 2387. Voorts is van belang dat het bij een voorliggende voorziening, zoals artikel 5 van Pro de WWB weergeeft, moet gaan om een voorziening buiten de bijstand. Uit de behandeling ter zitting is gebleken dat Apprenti een rol heeft in verband met de bijstandssituatie van betrokkenen. Een belangrijk oogmerk van Apprenti, dat wordt gefinancierd door verweerders gemeente, is ervoor te zorgen dat betrokkenen niet (wederom) in een bijstandssituatie terecht komen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de meerderheid van de werknemers van Apprenti is ingestroomd naar aanleiding van een WWB-aanvraag. Verder heeft hij toegelicht dat de nadruk bij Apprenti ligt op re-integratie en niet op werken; minimaal de helft van de tijd wordt besteed aan re-integratieactiviteiten. Het ligt dan ook naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet in de rede om het werken bij Apprenti als werk buiten de kaders van de bijstand te beschouwen. De voorzieningenrechter verwijst in dit kader naar een eerdere uitspraak van deze rechtbank van 23 juni 2009, die ter voorlichting van partijen (geanonimiseerd) aan deze uitspraak is gehecht.
2.13 Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar tegen het bestreden besluit van 28 augustus 2009 naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter redelijke kans van slagen. Desondanks zal de voorzieningenrechter, bij een afweging van de belangen van partijen, de door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening niet toewijzen. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker immers afgewezen wegens schending van artikel 15, eerste lid, van de WWB, zonder deze aanvraag nader inhoudelijk te hebben beoordeeld. Het staat derhalve niet vast dat verzoeker in bezwaar - indien artikel 15, eerste lid, van de WWB niet langer zou worden tegengeworpen - alsnog in aanmerking zal worden gebracht voor een bijstandsuitkering, laat staan dat duidelijk is, bij eventuele afstemming op de voet van artikel 18, tweede lid, van de WWB, tot welk bedrag. Voorts draagt verweerder bij toewijzing van de voorziening het risico van onmogelijkheid van terugbetaling door verzoeker, indien deze door de uitslag van de bodemprocedure verplicht wordt het alsdan onverschuldigd betaalde aan verweerder terug te betalen.
2.14 Ter zitting is gebleken dat in het kader van de bezwaarprocedure inmiddels al op 14 oktober 2009 een hoorzitting heeft plaatsgehad. De voorzieningenrechter ziet dan ook, mede gelet op het voorgaande, aanleiding om de voorlopige voorziening te treffen dat verweerder binnen twee weken na heden - derhalve uiterlijk 6 november 2009 - op verzoekers bezwaar dient te beslissen.
2.15 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het verzoek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat verweerder wordt opgedragen om uiterlijk 6 november 2009 een besluit te nemen op het bezwaarschrift van verzoeker;
bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht ten bedrage van
€ 41,- aan hem vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,-, te betalen aan verzoeker.
Aldus vastgesteld door mr. K.J. Veenstra en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2009.
De griffier: De voorzieningenrechter:
mr. D.E.S. Tomeij mr. K.J. Veenstra
Afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.