ECLI:NL:RBUTR:2009:BI1799
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- P. Bender
- A.J. Smit
- A.M.M.E. Doekes
- Rechtspraak.nl
Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel en oplegging ontnemingsvordering
De rechtbank Utrecht behandelde op 21 april 2009 de ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van drugshandel. De officier van justitie vorderde vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en betaling aan de Staat.
De rechtbank baseerde haar berekening grotendeels op het strafrechtelijk financieel onderzoek CERES, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €898.117,50. Hierbij werd rekening gehouden met personeelskosten die door een medeveroordeelde waren gemaakt, welke in mindering werden gebracht. De verdeling van het voordeel tussen veroordeelde en medeveroordeelde werd gelijkelijk (pondspondsgewijs) toegepast vanwege gebrek aan inzicht in het samenwerkingsverband.
De verdediging voerde aan dat de veroordeelde onvoldoende draagkracht had om te betalen, maar de rechtbank verwierp dit verweer omdat draagkracht in beginsel pas in de executiefase wordt beoordeeld. De rechtbank legde de verplichting op tot betaling van het vastgestelde bedrag aan de Staat en wees de overige vorderingen af.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht, bestaande uit drie rechters.
Uitkomst: De rechtbank legt de veroordeelde de verplichting op om €898.117,50 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen.