ECLI:NL:RBUTR:2009:BI0811
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.J. Schepen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tegen staking schoonmakers op Schiphol wegens dekking onder Europees Sociaal Handvest
De rechtbank Utrecht behandelde een kort geding tussen zes schoonmaakbedrijven die werkzaamheden op Schiphol uitvoeren en de vakbond FNV Bondgenoten. De schoonmaakbedrijven vorderden een verbod op een aangekondigde staking van FNV Bondgenoten, stellende dat deze staking onrechtmatig was omdat zij niet viel onder een belangengeschil zoals bedoeld in artikel 6 lid 4 van Pro het Europees Sociaal Handvest (ESH).
De rechtbank stelde vast dat het geschil grotendeels betrekking had op een belangengeschil en dat de staking daarom onder het stakingsrecht van artikel 6 lid 4 ESH Pro viel. De schoonmaakbedrijven voerden ook aan dat de staking een CAO-conflict betrof waarvoor eerst een geschillencommissie moest worden ingeschakeld, maar dit verweer werd verworpen omdat de vakbond een verdergaande werkgelegenheidsgarantie eiste dan de minimumgarantie in de CAO.
Verder oordeelde de rechtbank dat de vakbond de staking als ultimum remedium had ingezet en de aanzeggingstermijn niet onredelijk kort was. De rechtbank nam ook de toezegging van de vakbond mee dat essentiële werkzaamheden, zoals security checks, tijdens de staking zouden worden uitgevoerd.
De rechtbank concludeerde dat de staking geen onaanvaardbare inbreuk maakte op de rechten van derden of algemene belangen, en dat de gestelde hinder en mogelijke schade onvoldoende waren onderbouwd om het stakingsrecht te beperken. Daarom wees de rechtbank de vordering van de schoonmaakbedrijven af en veroordeelde hen in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de schoonmaakbedrijven tot stakingverbod wordt afgewezen; de staking is gedekt door artikel 6 lid 4 ESH.