ECLI:NL:RBUTR:2009:BI0618
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na oplichting
De rechtbank Utrecht behandelde op 8 april 2009 een ontnemingsvordering op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor meervoudige oplichting. De officier van justitie vorderde vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en betaling daarvan aan de Staat.
De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €109.000, gebaseerd op de som van bedragen die de veroordeelde via afgesloten kredieten op zijn en de bankrekening van zijn echtgenote had ontvangen, verminderd met rente- en kostenvergoedingen aan de benadeelden. De veroordeelde had zonder toestemming kredieten afgesloten op naam van cliënten en beschikte over de bankrekening van zijn echtgenote.
De verdediging voerde een draagkrachtverweer aan vanwege een dreigend faillissement zonder baten, maar de rechtbank vond dit onvoldoende onderbouwd en oordeelde dat de draagkracht in de executiefase aan de orde moet komen. De rechtbank legde de verplichting tot betaling van het bedrag aan de Staat op en wees het meer of anders gevorderde af.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €109.000 aan de Staat als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.