ECLI:NL:RBUTR:2008:BG5259
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens ontbreken klacht bij seksueel misbruik minderjarige
In deze strafzaak stond verdachte terecht wegens seksuele handelingen met een minderjarig slachtoffer in de periode van 1 januari 2000 tot en met 9 oktober 2002. Volgens de tenlastelegging zou verdachte samen met anderen seksuele handelingen hebben verricht bij het slachtoffer.
De verdediging voerde een preliminair verweer aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat ten tijde van de feiten het klachtvereiste gold. Het slachtoffer had geen klacht ingediend en wenste ook geen aangifte te doen, waardoor geen sprake was van een geldige vervolgingsgrond.
De rechtbank oordeelde dat de feiten inderdaad vóór 1 oktober 2002 hadden plaatsgevonden, toen het klachtvereiste nog van kracht was. Omdat het slachtoffer geen klacht had ingediend en geen vervolging wenste, kon het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk worden verklaard voor de ten laste gelegde feiten.
De rechtbank verklaarde daarom het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk voor de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en sprak dit vonnis uit op 31 oktober 2008.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een klacht van het slachtoffer.