ECLI:NL:RBUTR:2008:BE8651
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.J. Schepen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering Provincie Utrecht tot betaling investeringskosten composteerinrichting door Waterschappen
De Provincie Utrecht vorderde van de Waterschappen betaling van een bedrag van EUR 748.000,- vermeerderd met rente en kosten, betreffende investeringskosten in een composteerinrichting die onderdeel uitmaakt van het waterkwaliteitsbeheer. De Provincie stelde dat sprake was van een gemeenschap van eigendom of een onvoorwaardelijke overeenkomst tot definitieve afrekening.
De rechtbank stelde vast dat het perceel met de composteerinrichting op 29 juni 1998 door de Provincie aan Waterschap Vallei & Eem (WVE) was geleverd, waardoor alleen WVE eigenaar werd. De primaire grondslag van gezamenlijke eigendom werd daarom verworpen. Ook de subsidiaire grondslag faalde omdat geen overdracht aan alle Waterschappen had plaatsgevonden.
De meer subsidiaire grondslag, dat de vordering voortvloeit uit de intentieverklaring en splitsingsovereenkomst, werd afgewezen omdat de Provincie geen concrete betalingsverplichting kon aanwijzen. Wel was er een onvoorwaardelijke overeenkomst tussen Provincie en enkele Waterschappen (HDSR en HAGV) die de definitieve afrekening vaststelde, waardoor deze Waterschappen niet meer gehouden waren tot betaling.
De rechtbank concludeerde dat de vordering niet toewijsbaar was jegens WVE, HDSR en HAGV en wees de vorderingen af. De Provincie werd veroordeeld in de proceskosten van de Waterschappen, die werden begroot op EUR 9.827,- per partij.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van de Provincie Utrecht af en veroordeelt haar in de proceskosten van de Waterschappen.