ECLI:NL:RBUTR:2008:BD7405
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Gevangenisstraf voor bezit van cocaïne en gedeeltelijke tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf
Op 21 mei 2008 werd verdachte in Utrecht betrapt op het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 1,74 gram cocaïne, een middel als bedoeld in de Opiumwet. Verdachte heeft dit feit bekend tijdens de terechtzitting, ondersteund door een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut dat bevestigt dat de aangetroffen substantie cocaïne betrof.
De rechtbank oordeelde dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat verdachte strafbaar is voor het handelen in strijd met artikel 2c van de Opiumwet. Gelet op de aard en ernst van het delict, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van verdachte, werd een gevangenisstraf van 27 dagen opgelegd met aftrek van voorarrest.
Daarnaast werd een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf uit 2006 gedeeltelijk ten uitvoer gelegd. De rechtbank gelastte de tenuitvoerlegging van vier maanden gevangenisstraf, welke werd omgezet in een taakstraf van 240 uur, met een vervangende hechtenis van 120 dagen bij niet-naleving. Tevens werd de proeftijd verlengd met één jaar.
De verdediging had een lagere straf gevorderd op basis van richtlijnen, maar de rechtbank volgde de officier van justitie omdat de eerdere veroordeling voor een soortgelijk delict strafverzwarend werkt. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht op 15 juli 2008.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 27 dagen gevangenisstraf en gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf met verlenging van de proeftijd.