ECLI:NL:RBUTR:2008:BD4307
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.G. Bakker
- L.E. Verschoor-Bergsma
- S. Bouwman
- Rechtspraak.nl
Openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens overschrijding redelijke termijn in jeugdstrafzaak poging doodslag
De verdachte werd verdacht van poging tot doodslag en poging zware mishandeling gepleegd in september 2005. De zaak betrof een minderjarige verdachte en viel onder het jeugdrecht, waarbij de zaak binnen 16 maanden had moeten worden afgedaan.
De procedure kende aanzienlijke vertraging doordat het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) rapport met betrekking tot bloedsporen pas 15 maanden na ontvangst werd ingebracht. Hierdoor werd de redelijke termijn met 17 maanden overschreden zonder dat bijzondere omstandigheden werden aangetoond, anders dan een algemene werkdruk bij het openbaar ministerie.
De rechtbank hield rekening met het feit dat de verdachte inmiddels een eerdere veroordeling had ondergaan en zich daarna aan reclasseringsvoorschriften had gehouden, waardoor het pedagogische doel van de strafrechtelijke behandeling grotendeels was vervallen. Gelet op het lange tijdsverloop sinds de inverzekeringstelling oordeelde de rechtbank dat de zaak niet binnen een redelijke termijn was behandeld in de zin van artikel 6 EVRM Pro.
Daarom verklaarde de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging voor het ten laste gelegde feit van poging doodslag. Dit betekent dat de strafzaak niet verder wordt behandeld vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn in een jeugdstrafzaak.