ECLI:NL:RBUTR:2008:BC6452
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheidskwestie inzake onrechtmatige daad en produktaansprakelijkheid vrachtwagen
In deze zaak staat de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van een vordering van Delta Lloyd Schadeverzekering N.V. en een vennootschap onder firma tegen M.A.N. Nutzfahrzeuge AG, een Duitse producent van vrachtwagens, op grond van onrechtmatige daad en produktaansprakelijkheid.
M.A.N. Nutzfahrzeuge stelde primair dat de rechtbank onbevoegd is op grond van de EEX-Verordening, omdat zij haar statutaire zetel in Duitsland heeft en de hoofdregel is dat de rechter van de woon- of vestigingsplaats bevoegd is. Subsidiair stelde zij relatieve onbevoegdheid en verwees naar alternatieve bevoegdheidsregels die volgens haar niet voldaan waren.
De rechtbank oordeelde dat de plaats waar de schade is ingetreden, namelijk Nederland, bevoegdheidsscheppend is op grond van artikel 5 lid 3 EEX Pro-Vo en het Kalimijnenarrest van het Europese Hof van Justitie. De vordering is gebaseerd op een brand die in Nederland optrad, en de schade is direct geleden door partijen gevestigd in Nederland. De rechtbank verwierp het beroep op onbevoegdheid en wees het incidentele verzoek daartoe af.
Daarnaast stond de rechtbank toe dat Sommerauer Trucks M.A.N. Nutzfahrzeuge in vrijwaring oproept, en bepaalde dat de hoofdzaak en het vrijwaringsincident separaat behandeld worden om vertraging te voorkomen. De rechtbank wees tussentijds hoger beroep tegen de bevoegdheidsbeslissing af vanwege mogelijke vertraging.
Tot slot bepaalde de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is op de hoofdzaak op grond van het Haagse Productenaansprakelijkheidsverdrag 1973. De zaak zal worden voortgezet met een rolzitting voor conclusie van antwoord.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd kennis te nemen van de vordering en wijst het verzoek tot onbevoegdverklaring af.