ECLI:NL:RBUTR:2007:BC1125
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.E. Kruijff-Bronsing
- F.L. Muskens
- G. Veldhoen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid officier van justitie wegens niet-betekeningsvereiste bij tenuitvoerlegging buitenlandse straf
De rechtbank Utrecht behandelde een vordering van de officier van justitie tot verlof tot tenuitvoerlegging van een in Duitsland opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar, met diverse bijzondere voorwaarden, waaronder een stadionverbod en schadevergoedingsverplichtingen.
De officier van justitie had de stukken ontvangen op 4 mei 2005, maar diende de vordering pas op 8 september 2005 in, waardoor de wettelijke termijn van twee weken uit artikel 18 WOTS Pro werd overschreden. De rechtbank oordeelde echter dat deze termijnoverschrijding geen gevolgen hoefde te hebben.
Cruciaal was dat de officier van justitie niet had voldaan aan het betekeningvereiste van artikel 45, eerste lid, WOTS. Er was geen bewijs dat het Duitse vonnis aan de veroordeelde persoonlijk was betekend. Dit betekende dat de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest verklaren in haar vordering tot tenuitvoerlegging.
De rechtbank nam kennis van alle relevante stukken, waaronder het Duitse vonnis, herroepingsbesluit, verzoeken en correspondentie tussen de Duitse en Nederlandse autoriteiten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 22 mei 2007.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen aan het betekeningvereiste van artikel 45 WOTS.