ECLI:NL:RBUTR:2007:BB9805
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na afpersing Rabobank
Op 13 oktober 2003 pleegde verdachte een afpersing in een filiaal van de Rabobank waarbij een bedrag van €11.784,50 werd weggenomen door een gewapende man. Verdachte werd hiervoor veroordeeld door de rechtbank op 28 juni 2004. Het hof bevestigde deze veroordeling in hoger beroep en de Hoge Raad wees het cassatieberoep af.
De officier van justitie vorderde op 17 oktober 2007 ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank stelde vast dat het volledige bedrag van €11.784,50 door verdachte was verkregen en dat er geen omstandigheden waren die dit uitsloten. De draagkracht van verdachte was voldoende om betaling te kunnen voldoen.
De rechtbank legde daarom aan verdachte de verplichting op om dit bedrag aan de Staat te betalen op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer op 4 december 2007 na de terechtzitting van 20 november 2007.
Uitkomst: Verdachte wordt verplicht tot betaling van €11.784,50 aan de Staat wegens wederrechtelijk verkregen voordeel na afpersing.