ECLI:NL:RBUTR:2007:BB4211
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.C. Quik-Schuijt
- P.J.G. van Osta
- M.A.A.T. Engbers
- Rechtspraak.nl
Toewijzing alleenouderschap en omgangsregeling minderjarige na beëindiging relatie ouders
De vader verzocht de rechtbank om een omgangsregeling met zijn dochter en later om het gezamenlijk gezag, vervolgens alleen het gezag over de minderjarige. De ouders zijn uit elkaar gegaan toen het kind een jaar oud was, waarna het contact tussen vader en dochter vrijwel geheel werd verbroken. Ondanks meerdere pogingen, waaronder mediation, dwangsommen en een ondertoezichtstelling, bleef de moeder weigeren medewerking te verlenen aan omgang.
De rechtbank constateert dat de moeder haar bezwaren niet aannemelijk heeft gemaakt en dat het in het belang van het kind is dat zij omgang heeft met haar vader. De vader functioneert verantwoord en de Raad voor de Kinderbescherming vond geen ontzeggingsgronden voor omgang. De moeder projecteerde haar eigen problematiek op de omgang, wat niet overtuigend was.
Gezien de volhardende weigering van de moeder en het belang van het kind, acht de rechtbank het noodzakelijk om de vader alleen met het gezag te belasten. Dit betekent geen directe wijziging in de feitelijke verblijfplaats van het kind zolang de moeder meewerkt aan het herstel van het contact. De moeder wordt geacht haar banden met het kind en haar halfzusje niet te verbreken. De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst overige verzoeken af.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de vader toe en belast hem alleen met het gezag over zijn dochter.