ECLI:NL:RBUTR:2007:BA4084
Rechtbank Utrecht
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- M.S.D. de Weerd
- R.P. den Otter
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen tijdelijke intrekking erkenning bedrijfsvoorraad wegens niet-toerekenbare controleweigering
Eiser, handelend onder een handelsnaam en gevestigd te Soesterberg, kreeg op 10 januari 2007 een besluit tot tijdelijke intrekking van zijn erkenning bedrijfsvoorraad voor zes weken. Verweerder, de algemeen directeur van de RDW, verklaarde het bezwaar van eiser tegen dit besluit op 13 maart 2007 ongegrond. Eiser maakte hiertegen beroep bij de rechtbank Utrecht.
De intrekking was gebaseerd op het feit dat een bedrijvencontroleur op 13 december 2006 het bedrijf van eiser niet kon bezoeken en ook binnen 15 minuten geen controle kon uitvoeren. Eiser stelde dat het niet doorgaan van de controle niet aan hem kon worden toegerekend, omdat de controleur expliciet om handelaarskentekenplaten vroeg die op dat moment elders waren. Hierdoor achtte eiser het niet zinvol dat zijn echtgenote de controleur te woord stond.
De voorzieningenrechter oordeelde dat deze omstandigheid niet in overwegende mate aan eiser kon worden toegerekend. De controleur had zich zodanig geuit dat eiser mocht aannemen dat de controle ook de kentekenplaten betrof, die niet aanwezig waren. Het besluit tot intrekking ontbrak een draagkrachtige motivering en was in strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb. Verweerder werd opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen. De tijdelijke intrekking was geschorst gedurende de bezwaarprocedure, zodat een voorlopige voorziening niet nodig was.
De voorzieningenrechter veroordeelde verweerder tevens in de proceskosten en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de tijdelijke intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad is gegrond verklaard en het besluit vernietigd.