ECLI:NL:RBUTR:2007:AZ7400
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging huurovereenkomst na overlijden huurder en positie onderhuurder
De Kombinatie verhuurde een woning aan de heer F en mevrouw B, die in 2002 overleed. Gedaagde woonde in de woning en stelde een mondelinge onderhuurovereenkomst te hebben met F en B sinds 1999. De Kombinatie vorderde een verklaring voor recht dat geen huurovereenkomst met gedaagde bestond en subsidiair beëindiging van de huurovereenkomst met ontruiming.
De rechtbank stelde vast dat de huurovereenkomst met B door haar overlijden in 2004 is geëindigd conform artikel 7:268 lid 6 BW Pro, uiterlijk per 1 maart 2005. Gedaagde kon geen schriftelijk bewijs leveren van onderhuur of huurbetalingen. De Kombinatie was pas in 2006 op de hoogte van het overlijden, waardoor de termijn van zes maanden uit artikel 7:269 lid 2 BW Pro nog niet was verstreken.
De rechtbank oordeelde dat gedaagde de verhuurder had moeten informeren over het overlijden, en dat het in strijd met redelijkheid en billijkheid zou zijn als hij zich op termijnverstrijking kon beroepen. De vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst wegens onvoldoende financiële waarborg en huurachterstand werd toegewezen.
De primaire vordering tot verklaring voor recht werd aangehouden vanwege onvoldoende bewijs van onderhuur. De zaak werd verwezen naar een rolzitting voor nadere schriftelijke toelichting en verdere beslissing.
Uitkomst: De huurovereenkomst is beëindigd door overlijden, de onderhuurder had de verhuurder moeten informeren, en de vordering tot beëindiging en ontruiming wordt toegewezen, terwijl de primaire vordering wordt aangehouden.