ECLI:NL:RBUTR:2006:AV7687
Rechtbank Utrecht
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Ontruiming noodopvang na intrekking verblijfsrecht uitgeprocedeerd asielgezin
Een gezin met Slowaakse nationaliteit heeft sinds 1999 asiel aangevraagd en verbleef vanaf eind 2002 in een noodopvanghuis. Hun asielaanvragen werden in maart 2005 definitief afgewezen. Zij dienden een verzoek in bij de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie op grond van artikel 14 lid 1 Vreemdelingenwet Pro 2000 (de '14-1 brief') om alsnog een verblijfsvergunning te verkrijgen.
De stichting die de noodopvang verzorgt, vorderde in kort geding dat het gezin het opvangpaviljoen moest verlaten. De voorzieningenrechter oordeelde dat het indienen van een 14-1 brief geen recht op opvang verschaft, omdat het gezin niet voldeed aan de criteria van de opvangorganisatie INLIA en de opvangverwijzing was ingetrokken. De huurovereenkomst van het paviljoen was beëindigd en de stichting was aansprakelijk gesteld voor schade door het niet opleveren van het pand.
Het gezin voerde aan dat zij recht hadden op opvang vanwege hun procedurele status en het recht op gezinsleven en kinderrechten. De rechtbank verwierp dit en overwoog dat noodopvang een natuurlijke verbintenis is die niet afdwingbaar is. De rechtbank stelde een redelijke ontruimingstermijn vast tot 1 mei 2006 en wees de vorderingen van het gezin af. De stichting werd bevoegd verklaard de ontruiming met politiehulp uit te voeren.
Uitkomst: Het uitgeprocedeerde asielgezin is veroordeeld om uiterlijk 1 mei 2006 het noodopvangpaviljoen te verlaten en te ontruimen.