ECLI:NL:RBUTR:2006:AV2463
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Ch. Van Linschoten
- J.P.H. van Driel van Wageningen
- H. Brouwer-Poederbach
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel aan zoon van huishoudster
De rechtbank Utrecht behandelde de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de verdachte, zoon van een huishoudster, in verband met strafbare feiten gepleegd tussen 16 juli 2001 en 20 juni 2002. De verdachte was reeds veroordeeld door het gerechtshof Amsterdam.
De rechtbank baseerde de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een proces-verbaal van de politie, waarbij het bedrag werd vastgesteld op €133.972,61. De verdediging kon de gemaakte kosten niet aannemelijk maken, zodat deze niet in mindering werden gebracht. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, matigde de rechtbank het bedrag met tien procent tot €120.575,35.
De rechtbank wees het meer of anders gevorderde af en legde de betalingsverplichting aan de verdachte op. De draagkracht van de verdachte werd onderzocht, maar onvoldoende aannemelijk geacht om matiging te rechtvaardigen. Het vonnis werd uitgesproken door drie rechters op 22 februari 2006.
Uitkomst: De verdachte is verplicht tot betaling van €120.575,35 aan de Staat wegens ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.