ECLI:NL:RBUTR:2005:AU2104
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.M. Tol
- R.P. den Otter
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over handhaving drank- en horecavergunning ondanks weigering exploitatievergunning
Het beroep betreft het besluit van de gemeente Utrecht om het bezwaar tegen het verlenen van een drank- en horecavergunning aan een vergunninghouder ongegrond te verklaren. Eisers voerden aan dat de vergunninghouder geen belang meer had bij de vergunning en dat deze had moeten worden geweigerd vanwege het ontbreken van een exploitatievergunning en strijdigheid met het bestemmingsplan.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken over de exploitatievergunning en stelt vast dat de weigering van de exploitatievergunning nog niet onherroepelijk was op het moment van het bestreden besluit. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet, ongeacht de juridische situatie omtrent het bestemmingsplan.
De rechtbank benadrukt dat artikel 27, eerste lid, onder b, van de Drank- en Horecawet betrekking heeft op de feitelijke toestand en niet op de juridische status. Daarom is het besluit om de drank- en horecavergunning in stand te laten terecht. Tevens wijst de rechtbank op de vervaltermijn van zes maanden voor het gebruik van de vergunning.
Gezien deze overwegingen worden de bezwaren van eisers verworpen en wordt het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: Het beroep tegen het in stand laten van de drank- en horecavergunning wordt ongegrond verklaard.