ECLI:NL:RBUTR:2005:AT3895
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.C. Quik-Schuijt
- P.J.G. van Osta
- M. Stolwerk
- Rechtspraak.nl
Aanhouding procedure kinderontvoering en aanmoediging minnelijke regeling
In deze zaak betreft het een verzoek van de Centrale Autoriteit tot teruggeleiding van twee minderjarige kinderen van Nederland naar Spanje op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De moeder was met de kinderen naar Nederland vertrokken, terwijl de vader, die in Spanje woont, dit niet uitdrukkelijk had toegestaan. De moeder stelde dat er geen sprake was van ontvoering omdat de vader op de hoogte was en instemde met het vertrek, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet voldoende was bewezen.
De Centrale Autoriteit had het verzoek ingediend zonder voldoende te onderzoeken of een minnelijke regeling tussen de ouders mogelijk was. De rechtbank stelde vast dat de Centrale Autoriteit onvoldoende had geprobeerd partijen nader tot elkaar te brengen, ondanks eerdere schikkingsonderhandelingen die al dicht bij een akkoord waren. De Raad voor de Kinderbescherming gaf aan dat het belang van de kinderen het best gediend is met een oplossing waarbij de kinderen bij de moeder blijven en regelmatig contact met de vader hebben.
De rechtbank besloot daarom de procedure aan te houden en de Centrale Autoriteit te verplichten verdere pogingen te doen om een minnelijke regeling te bereiken, al dan niet met mediation. Dit met het oog op het belang van de kinderen en het uitgangspunt van het Verdrag dat teruggeleiding vrijwillig dient te geschieden indien mogelijk.
De zaak wordt aangehouden tot een nieuwe zitting op 18 mei 2005, waarbij de Centrale Autoriteit schriftelijk dient te rapporteren over de voortgang van de minnelijke regeling.
Uitkomst: De rechtbank houdt de procedure aan om partijen alsnog een minnelijke regeling te laten treffen.