ECLI:NL:RBUTR:2005:AT3156

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
14 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
KTG-nr. 389886 BU 04-1090
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.2.42 lid 1 onder b VoertuigreglementRichtlijn 92/22/EEGArt. 2.9.6 Regeling permanente eisenWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen sanctie voor het blinderen van autoruiten met folie

Betrokkene werd gesanctioneerd wegens het aanbrengen van een folie op de linker zijruit van zijn voertuig, waardoor deze aanzienlijk donkerder was dan de overige ruiten. De lichtdoorlating werd gemeten met een speciaal meetinstrument, waarbij bleek dat de lichttransmissie slechts 9% bedroeg, terwijl minimaal 70% vereist is volgens de Europese richtlijn.

Betrokkene voerde aan dat het uitzicht niet werd belemmerd en dat het voertuigreglement onvoldoende normen bevat over belemmering. De officier van justitie onderbouwde het standpunt met een schriftelijke notitie en foto’s. De kantonrechter oordeelde dat de folie een onnodig voorwerp is dat het uitzicht belemmert, conform artikel 5.2.42 lid 1 onder b van het Voertuigreglement.

Hoewel het gebruikte meetinstrument niet in de Regeling meetmiddelen is opgenomen, voldoet het aan de Europese meetvoorschriften. De kantonrechter achtte de meting betrouwbaar en concludeerde dat de gedraging is verricht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de sanctie voor het blinderen van de zijruit met folie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector kanton, locatie Utrecht
Beslissing van de kantonrechter op het beroep van:
[naam betrokkene] [adres betrokkene],
verder ook te noemen: betrokkene.
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen een beslissing van de officier van justitie, gegeven op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Bij deze beslissing heeft de officier van justitie het beroep ongegrond verklaard.
Het beroepschrift van betrokkene is ter kennis van de officier van justitie gebracht.
Betrokkene is in de gelegenheid gesteld alle op het beroepschrift betrekking hebbende stukken in te zien.
Het beroep is behandeld ter zitting van 31 januari 2005.
De officier van justitie is verschenen. Betrokkene is verschenen.
Vervolgens heeft de kantonrechter deze beslissing gegeven.
Beoordeling van het beroep
Aan betrokkene is een sanctie van € 86,00 opgelegd ter zake van de in de inleidende beschikking aangeduide gedraging te Driebergen-Rijsenburg op 10 september 2003 te 11.02 uur:
voorruit/ zijruit/ windscherm/ indien geen recht.buit.spiegel achterruit, voorzien van uitzicht belemmerende voorwerpen.
Betrokkene voert, kort samengevat, aan dat door de aangebrachte folie op de linkerzijruit van zijn voertuig het uitzicht naar buiten niet werd belemmerd. In het voertuigreglement zijn onvoldoende normen vastgelegd met betrekking tot wat moet worden verstaan onder het begrip belemmering.
De officier van justitie heeft ter zitting een schriftelijke notitie overgelegd, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. Voorts heeft de officier van justitie een aantal foto’s overgelegd. Aan de hand van deze notitie en foto’s heeft de officier van justitie zijn standpunt uiteengezet en verzocht om het beroep ongegrond te verklaren.
De kantonrechter komt tot het volgende oordeel.
Uit het zaakoverzicht blijkt dat de verbalisant heeft geconstateerd dat “op de voorste zijruit aan de linkerzijde van het voertuig (kenteken [xx-xx-xx]) een folie was aangebracht waardoor deze ruit er aanmerkelijk donkerder uitzag dan de ruiten van dit voertuig welke niet waren voorzien van een folie. In verband hiermee was een onnodig voorwerp op deze ruit aangebracht die het uitzicht van de bestuurder belemmerde.”
In deze zaak is van belang dat in artikel 5.2.42 lid 1 onder b van het Voertuigreglement is voorgeschreven (voor zover van belang): De voorruit en de zijruiten van personenauto’s mogen: niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
De Richtlijn 92/22/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende veiligheidsruiten en materialen voor ruiten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan 14-05-92 vermeldt onder 9.1.4.1. het volgende: De gewone lichtdoorlating als gemeten overeenkomstig punt 9.1.2 mag voor voorruiten niet minder dan 75% en voor andere ruiten niet minder dan 70% bedragen.
Ingevolge artikel 2.9.6 van de Regeling permanente eisen (Uitvoeringsvoorschriften Voertuigreglement) kunnen de in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door in geval van twijfel te meten met een meetmiddel van voldoende bereik.
Uit het zaakoverzicht en de behandeling ter zitting is gebleken dat de betreffende ruit is gemeten met een speciaal daarvoor ontworpen meetmiddel (De TintMan). Voorts is gebleken dat dit meetmiddel voldoet aan de wijze van meten zoals in de Europese Richtlijn is voorgeschreven, maar dat dit meetmiddel niet is opgenomen in de Regeling meetmiddelen. De verbalisant heeft met dit meetmiddel de ruit op verschillende punten gemeten. Hierbij werden geen hogere percentages lichttransmissie gemeten dan 9%.
Nu met betrekking tot de onderhavige zijruit geen hogere percentage lichttransmissie werd gemeten dan 9%, terwijl de lichtdoorlating voor een zijruit niet minder dan 70% mag bedragen leidt dit tot de conclusie dat de aangebrachte folie het uitzicht naar buiten belemmert dan wel beperkt.
De kantonrechter is van oordeel dat een folie een “onnodig voorwerp” is in de zin van het hiervoor aangegeven artikel van het Voertuigreglement.
De omstandigheid dat het onderhavige gebruikte meetmiddel niet voorkomt in de Regeling meetmiddelen, maar wel voldoet aan de wijze van meten zoals in de Europese Richtlijn is voorgeschreven brengt naar het oordeel van de kantonrechter niet mee dat het resultaat van de meting niet mag bijdragen tot het oordeel dat de gedraging is verricht.
De kantonrechter heeft in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd onvoldoende concrete aanknopingspunten kunnen vinden om aannemelijk te achten dat de constatering van verbalisant onjuist is geweest.
Derhalve is de kantonrechter van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
De kantonrechter zal, gelet op het bovenstaande, beslissen als volgt.
Beslissing
De kantonrechter:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.W.J. van Veen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2005.
VERZONDEN OP
Tegen deze beslissing van de kantonrechter kan hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld door binnen 6 weken na verzending van deze beslissing een gemotiveerd en ondertekend beroepschrift in te dienen bij de Rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht, postbus 16008 te 3500 DA Utrecht.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een behandeling ter zitting is gevraagd.