ECLI:NL:RBUTR:2005:AT2466
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Nietigheid effectenleaseovereenkomst wegens ontbreken vergunning Wet consumentenkrediet
In maart 2000 sloot de toen 19-jarige gedaagde een effectenleaseovereenkomst met Dexia, waarbij zij aandelen leaste met een looptijd van 36 maanden en een totale leasesom van € 23.444,25. Dexia stelde dat de overeenkomst een krediettransactie betrof waarop de Wet op het consumentenkrediet (WCK) van toepassing was. De kantonrechter oordeelde dat de effectenleaseconstructie inderdaad onder de WCK valt, omdat het een krediettransactie betreft waarbij Dexia een bedrag ter beschikking stelde en gedaagde periodiek rente betaalde.
Dexia beschikte echter niet over de vereiste vergunning als bedoeld in artikel 9 WCK Pro ten tijde van het aangaan van de overeenkomst. Hierdoor is de overeenkomst nietig op grond van artikel 3:40 lid 2 BW Pro. De rechtbank stelde vast dat Dexia geen feiten had gesteld die het onaanvaardbaar maken om de overeenkomst met terugwerkende kracht teniet te doen. Ook kon Dexia niet aannemelijk maken dat gedaagde op de hoogte was van de risico’s van beleggen in aandelen.
De vordering van Dexia tot betaling van een openstaand bedrag werd daarom afgewezen. In reconventie werd de vordering van gedaagde tot terugbetaling van betaalde termijnen gedeeltelijk toegewezen. De rechtbank veroordeelde Dexia tot terugbetaling van € 3.839,96 plus wettelijke rente en compenseerde de proceskosten zodanig dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De effectenleaseovereenkomst is nietig wegens het ontbreken van een vergunning, waardoor de vordering van Dexia wordt afgewezen en gedaagde gedeeltelijk wordt terugbetaald.