ECLI:NL:RBUTR:2005:AS6712

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
28 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
188224/JE RK04-1515
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.C. Quik-Schuijt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:258 BWArt. 1:261 BWArt. 1:253s BWArt. 6 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kinderrechter verbiedt BJZ om kind zonder machtiging uit pleeggezin te plaatsen

Een vierjarig kind is door Bureau Jeugdzorg Utrecht (BJZ) zonder machtiging van de kinderrechter uit het pleeggezin gehaald en geplaatst in een residentiële voorziening. De pleegouders maakten bezwaar tegen deze uithuisplaatsing. De rechtbank oordeelde dat BJZ niet bevoegd is om zonder machtiging van de kinderrechter en enkel met toestemming van de gezaghebbende ouder een kind uit het pleeggezin te halen en in een residentiële voorziening te plaatsen.

De rechtbank overwoog dat het belang van het kind bij de beslissing centraal staat, maar dat de wettelijke procedure gevolgd moet worden. De ondertoezichtstelling was verlengd, maar een machtiging voor plaatsing in een residentiële voorziening was niet verleend. De kinderrechter stelde dat de plaatsing onrechtmatig was en dat het bezwaar van de pleegouders gegrond was. Tegelijkertijd werd terugplaatsing naar het pleeggezin op korte termijn niet als het beste belang van het kind gezien, vanwege de onrust door eerdere wisselingen.

De rechtbank benadrukte dat alleen BJZ, de Raad voor de Kinderbescherming en het Openbaar Ministerie bevoegd zijn om een machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken en dat de pleegouders geen toegang tot de rechter hebben om de plaatsing in het pleeggezin te bestendigen, wat een lacune in de wetgeving vormt. De beslissing tot machtiging werd aangehouden in afwachting van nader onderzoek en een zitting op 24 februari 2005.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat BJZ het kind niet zonder machtiging van de kinderrechter uit het pleeggezin mag plaatsen en schort de terugplaatsing op tot een definitieve beslissing.

Uitspraak

rekestnr. 188224 / JE RK 04-1515 LvD 28 januari 2005
Rechtbank Utrecht
BESCHIKKING
van de kinderrechter op het verzoek van [naam pleegouders], wonende te Hilversum, pleegouders van de onder toezicht gestelde minderjarige:
[naam kind], geboren te Amersfoort, op 10 mei 2000,
kind van
[naam vader], wonende te [woonplaats],
en
[naam moeder], wonende te [woonplaats];
de moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag.
Het verzoek, ingekomen op 23 december 2004, strekt er toe de gezinsvoogdij-instelling (hierna te noemen: Bureau Jeugdzorg Utrecht, ook wel BJZ) te bevelen de minderjarige [naam kind] bij hen terug te plaatsen.
Verloop van de procedure
De vierjarige [naam kind] is op 23 december 2004 door de gezinsvoogd geplaatst op vrijwillige basis, met toestemming van de gezaghebbende ouder, [naam moeder], in het Orthopedagogisch Centrum ’t Gooi te Hilversum.
De pleegouders hebben op 23 december 2004 schriftelijk bezwaar gemaakt bij de kinderrechter tegen de beslissing van BJZ tot wijziging van verblijfplaats van de minderjarige.
Hoewel art. 1:263 lid Pro 2, 3 en 4 BW beoogt de pleegouders eerst hun verzoek tot BJZ te laten richten kan deze fase overgeslagen worden nu, gelet op het feit dat de minderjarige thans voor de tweede keer bij hen is weggehaald, onwaarschijnlijk is dat de Stichting tot een ander oordeel zal komen. Daarenboven verlangt het belang van de minderjarige dat zo snel mogelijk een beslissing omtrent haar verblijfplaats wordt genomen hetgeen zich slecht verdraagt met beroep in twee fasen.
Op 26 november 2004 heeft de kinderrechter een eerdere beschikking gegeven op een verzoek tot terugplaatsing van [naam kind] bij pleegouders.
De terugplaatsing is in deze beschikking gelast. Er was geen machtiging verleend om de minderjarige te plaatsen in een residentiele voorziening. Naar deze beschikking wordt verwezen.
Op 9 december 2004 heeft Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht, een verzoekschrift (188224 JERK 04-1515) met bijlagen ingediend dat strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling en afgifte van een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een residentiële voorziening. Op 25 november 2004 was het hulpverleningsplan reeds overlegd.
Op 28 januari 2005 heeft de kinderrechter het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.
- De ondertoezichtstelling van de minderjarige is bij beschikkingen van 17 december 2004 en 28 januari 2005 verlengd tot 21 december 2005.
- Het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot plaatsing in een residentiële voorziening is op 26 november 2004 aangehouden in afwachting van de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming.
- Op de zitting van 28 januari 2005 heeft de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd [naam kind] in een orthopedagogische residentiele behandelsetting te plaatsen. De Raad komt tot dit advies op basis van een dossieronderzoek.
- Omdat de Raad reeds eerder had laten weten geen gedragsdeskundig onderzoek te zullen verrichten heeft de kinderrechter Dr. A.M. Weterings verzocht een onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden van de pleegouders om [naam kind] op te voeden, zulks met behulp van het zogenaamde PSI: Pedagogisch Signalerings Instrument. Dit is spoedshalve telefonisch aangevraagd en op 17 januari 2005 aan de gezinsvoogd en de pleegouders meegedeeld.
- De beslissing op het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot plaatsing in een residentiele voorziening is aangehouden in afwachting van deze rapportage.
Beoordeling van het verzoek
[Naam kind], geboren op 10 mei 2000, is op 27 juli 2000 door de Raad voor de Kinderbescherming vanuit het ziekenhuis, waar zij is geboren en nog op sociale indicatie verbleef, bij de pleegouders Pol geplaatst. Op 21 december 2000 is de minderjarige onder toezicht gesteld. Er is op diezelfde dag een machtiging verleend tot plaatsing in een voorziening voor pleegzorg. [Naam kind] bleef bij [naam pleeggezin].
De ondertoezichtstelling is sindsdien steeds verlengd. De machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is van jaar tot jaar verlengd waarbij de plaatsing bij [naam pleeggezin] werd bestendigd. Deze machtiging is afgelopen op 21 december 2004. Er is toen geen verlenging gevraagd. In plaats daarvan is verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing in een residentiële voorziening te verlenen. Een beslissing op dit verzoek is aangehouden, aanvankelijk in afwachting van een Raadsonderzoek, later in afwachting van het onderzoek door Dr. A.M. Weterings.
Nadat, op het bezwaar van de pleegouders tegen beëindiging van de plaatsing bij hen - [naam kind] was op vrijdag 5 november door de gezinsvoogdes bij hen weggehaald en naar Orthopedagogisch Centrum ’t Gooi gebracht - de terugplaatsing bevolen is omdat geen machtiging was verleend om de minderjarige te plaatsen in een residentiële voorziening, is het kind op 24 december 2004 wederom bij de pleegouders weggehaald en zonder machtiging geplaatst in Orthopedagogisch Centrum ’t Gooi.
Hiertegen richt zich het huidige bezwaarschrift.
Op de vraag wat in het belang van de vierjarige [naam kind] is te achten kan thans geen antwoord worden gegeven. Deze vraag zal behandeld worden op de zitting van 24 februari 2005. Het rapport van Dr. A.M. Weterings zal dan in het bezit van alle betrokkenen zijn.
De eerste vraag die thans beantwoord moet worden is van juridische aard en luidt: staat het de gezinsvoogd vrij om een minderjarige in het kader van de ondertoezichtstelling op gezag van de met gezag bekleedde ouder bij pleegouders weg te halen en te plaatsen in een residentiele voorziening?
Art. 1: 258 lid 3 BW luidt: plaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin geschiedt, behoudens in de gevallen dat de met gezag belaste ouder daartoe, zonder bezwaar van de stichting bedoeld in art. 1 onder Pro f, van de Wet op de Jeugdzorg overgaat, alleen krachtens artikel 261.
De vraag die thans beantwoord moet worden is of het initiatief tot uithuisplaatsing in een residentiële voorziening is uitgegaan van de gezinsvoogd of van de ouder. Is het de gezinsvoogd die hiertoe is overgegaan dan behoeft deze een machtiging van de kinderrechter (HR 1998, R98/040 LJN: ZC2774).
In het geval van de uithuisplaatsing van [naam kind] staat vast dat het initiatief door de gezinsvoogd is genomen. De gezinsvoogd heeft dit bij brief van 23 december 2004 aan de kinderrechter meegedeeld.
Vast staat derhalve dat het Bureau Jeugdzorg Utrecht niet vrij stond om de minderjarige gedurende dag en nacht te plaatsen in een residentiële voorziening zonder een daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter.
Vervolgens doet zich de vraag voor hoe de kinderrechter in de context van de bepalingen met betrekking tot de ondertoezichtstelling moet beslissen over schending van het recht op het gezinsleven dat ingevolge art. 8 EVRM Pro aan de pleegouders die het kind vanaf de geboorte als hun eigen kind verzorgen en opvoeden toekomt.
Bij beslissing van 26 november 2004 is het verzoek van BJZ een machtiging te verlenen voor een plaatsing in een residentiële voorziening aangehouden in afwachting van nader gedragsdeskundig onderzoek. Bij beschikking van dezelfde datum is op het verzoekschrift van de pleegouders terugplaatsing bij hen gelast, eveneens in afwachting van genoemd onderzoek. Op 21 december 2004 is de machtiging tot plaatsing in een voorziening voor pleegzorg afgelopen. Een nieuwe machtiging is niet gevraagd. Ingevolge art. 1: 261 BW zijn de Stichting Bureau Jeugdzorg, de Raad voor de Kinderbescherming en het Openbaar Ministerie bij uitsluiting bevoegd tot het verzoeken van een machtiging uithuisplaatsing voor dag en nacht.
De pleegouders hebben geen toegang tot de rechter om de plaatsing van hun pleegkind in hun gezin te bestendigen. Dit levert schending op van art. 6 en Pro 8 EVRM. De kinderrechter is evenmin bevoegd het kind, in afwachting van het gelaste onderzoek, ambtshalve geplaatst te houden in het pleeggezin. Deze lacune in de wetgeving klemt te meer nu aan pleegouders in het vrijwillig kader ingevolge art. 1:253s BW na een jaar verzorging en opvoeding het recht is gegeven niet mee te werken aan een wijziging van het verblijf, het zogenaamde blokkaderecht.
Een en ander leidt tot de conclusie dat de plaatsing van [naam kind] in het Orthopedagogisch Centrum ’t Gooi onrechtmatig is en formeel teruggedraaid zou moeten worden in afwachting van de zitting van 24 februari 2005, waarop, mede aan de hand van de ingewonnen adviezen, zal worden beslist over de verblijfplaats van [naam kind]. Het bezwaar van de pleegouders tegen het weghalen van [naam kind] is derhalve gegrond.
Nu echter het kind in november 2004 reeds bij pleegouders is weggehaald, drie weken later is teruggeplaatst en na vier weken weer is weggehaald, is het op dit moment - ook gelet op het feit dat op zeer korte termijn de rapportage gereed zal zijn en een beslissing zal kunnen worden genomen - niet in haar belang is om, in afwachting van een definitieve beslissing, weer bij de pleegouders terug geplaatst te worden.
Daarom wordt als volgt beslist:
Beslissing
De Kinderrechter:
- Verklaart het bezwaar tegen het handelen van Bureau Jeugdzorg Utrecht gegrond.
- Schort de terugplaatsing van de minderjarige bij pleegouders op totdat hierover op de zitting van 24 februari 2005 zal worden beslist.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 28 januari 2005 door
mr. A.C. Quik-Schuijt, kinderrechter, in bijzijn van L. van Dijk als griffier.