ECLI:NL:RBUTR:2004:AR3435
Rechtbank Utrecht
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Verplichting MO-Groep tot onderhandelingen CAO Jeugdhulpverlening op basis van onderhandelaarsakkoord 2002
De vakorganisaties en de MO-Groep hebben onderhandeld over een CAO Jeugdhulpverlening 2002-2003, waarbij op 2 mei 2002 een onderhandelaarsakkoord is gesloten met afspraken over een gefaseerde opbouw van een eindejaarsuitkering (13e maand). De MO-Groep stelde dat het niet-resultaatgerelateerde deel van deze uitkering afhankelijk zou zijn van de loonruimte en onderwerp van nieuwe onderhandelingen, terwijl de vakorganisaties dit als een harde afspraak zagen.
De voorzieningenrechter beoordeelde de uitleg van artikel 4 van Pro het akkoord, waarbij ook het verslag van de onderhandelingsvergadering van 2 mei 2002 en een nieuwsbrief van de MO-Groep werden betrokken. Uit de tekst en context bleek dat de MO-Groep haar standpunt niet voldoende had onderbouwd en dat de vakorganisaties redelijkerwijs mochten aannemen dat de opbouw van de eindejaarsuitkering vaststond zonder voorbehoud.
De rechter oordeelde dat de MO-Groep gehouden is de eindejaarsuitkering van 4,65% over 2004 uit te keren en dat zij bij de onderhandelingen over een nieuwe CAO niet de opbouw van deze uitkering afhankelijk mag stellen van de loonruimte. De vordering van de vakorganisaties werd toegewezen en de MO-Groep werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De MO-Groep is verplicht de eindejaarsuitkering conform het onderhandelaarsakkoord van 2 mei 2002 uit te keren en te onderhandelen over de nieuwe CAO uitgaande van dit akkoord.