ECLI:NL:RBUTR:2004:AQ9901
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.M. Sijbrandij
- P.J.G. van Osta
- K.A.M. van Hoof
- Rechtspraak.nl
Verzoek vader tot gezamenlijk ouderlijk gezag na scheiding niet-ontvankelijk op grond van art. 1:252 BW, wel ontvankelijk op grond van art. 1:253c BW
De vader heeft bij de rechtbank Utrecht een verzoek ingediend om gezamenlijk ouderlijk gezag te verkrijgen over zijn minderjarige kinderen, ondanks dat hij en de moeder niet gehuwd zijn en de moeder het gezag alleen uitoefent. De moeder heeft bezwaar gemaakt tegen dit verzoek en de rechtbank heeft zich bevoegd verklaard om het verzoek te behandelen.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek op grond van artikel 1:252 BW Pro niet-ontvankelijk is omdat deze wettelijke regeling niet voorziet in vervangende toestemming door de rechter bij weigering van de moeder, en dat een dergelijke materiële toets niet strookt met de bedoeling van de wet. Wel acht de rechtbank het verzoek ontvankelijk op grond van artikel 1:253c BW, dat de vader de mogelijkheid biedt om eenzijdig een verzoek tot gezagswijziging in te dienen, hoewel dit formeel alleen eenhoofdig gezag betreft.
De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van het Hof Leeuwarden en het Hof ’s-Hertogenbosch en benadrukt het belang van het recht op toegang tot de rechter conform artikel 6 EVRM Pro. De behandeling wordt aangehouden in afwachting van een rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming over de meest passende gezagsregeling in het belang van de kinderen.
De zaak wordt voortgezet op een nader te bepalen zitting na ontvangst van het advies, waarbij de rechtbank zich baseert op de belangen van de minderjarige kinderen en de onderlinge verhoudingen tussen ouders.
Uitkomst: Verzoek vader tot gezamenlijk gezag niet-ontvankelijk op grond van art. 1:252 BW, wel ontvankelijk op grond van art. 1:253c BW; zaak aangehouden voor advies Raad voor de Kinderbescherming.