ECLI:NL:RBUTR:2003:AH8735
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verrekening en verjaring vorderingen tussen huisarts en zorgverzekeraar
In deze zaak vordert Zorg en Zekerheid betaling van onverschuldigde voorschotbetalingen aan een huisarts die haar praktijk had beëindigd. De huisarts stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op verrekening van deze vordering met een eigen vordering op Zorg en Zekerheid voor overige vergoedingen zoals automatisering en nascholing.
De rechtbank stelt vast dat de abonnementshonoraria uitsluitend betrekking hebben op geneeskundige hulp en dat de betalingen na beëindiging van de praktijk onverschuldigd zijn. Het verjaringsverweer van Zorg en Zekerheid wordt verworpen omdat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de vordering. De bevoegdheid tot verrekening ontstond bij de onverschuldigde betalingen in oktober en november 1998, terwijl het verjaringsverweer pas in 2001 werd ingebracht.
De rechtbank oordeelt verder dat de huisarts haar vordering onvoldoende heeft gespecificeerd en stelt haar in de gelegenheid deze nader te onderbouwen. De beslissing wordt aangehouden tot nadere onderbouwing en reactie van partijen. Het vonnis is gewezen door rechter Cremers en op 25 juni 2003 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verjaringsverweer af en houdt de zaak aan voor nadere onderbouwing van de vordering door de huisarts.