ECLI:NL:RBUTR:2003:AF7712
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verjaring en action directe bij beroepsaansprakelijkheidsverzekering advocaat
Eiser stelde dat hij rechtstreeks een vordering kon instellen tegen AMEV, de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van zijn advocaat, wegens schade door beroepsfouten. De rechtbank beoordeelde de verjaring van de vordering aan de hand van artikel 3:313 BW Pro in verbinding met artikel 3:307 lid 1 BW Pro en stelde vast dat de verjaringstermijn van vijf jaar begon te lopen vanaf het moment waarop de verzekerde geconfronteerd werd met een opeisbare schadeclaim.
De rechtbank verwierp het betoog van eiser dat de verjaring pas begon bij de definitieve vaststelling van de aansprakelijkheid. De schade was al in 1992 gemanifesteerd en de verjaring was derhalve in 1998 geëindigd, met een stuiting door een brief in 1996, waardoor de verjaring uiteindelijk in 2001 afliep. Omdat de cessie van de vordering aan eiser pas in november 2001 plaatsvond, was de vordering tegen AMEV reeds verjaard.
Daarnaast wees de rechtbank de stelling van eiser af dat hij op grond van een action directe rechtstreeks tegen AMEV kon vorderen. De enkele betrokkenheid van AMEV bij de schaderegeling en schikkingonderhandelingen was onvoldoende om een rechtstreekse vordering te rechtvaardigen. Ook het vertrouwen dat eiser meende te hebben in de aansprakelijkheid van AMEV werd niet bewezen.
De vordering tot afgifte van bescheiden werd afgewezen wegens het ontbreken van een belang, en eiser werd veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank wees de vordering van eiser tegen AMEV volledig af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van eiser tegen AMEV af wegens verjaring en onvoldoende gronden voor een directe vordering.