ECLI:NL:RBUTR:2002:AE9116
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aanspraak op optieregeling en vaststelling uitoefenprijs aandelenkapitaal
In deze zaak vordert eiser een verklaring voor recht dat hij aanspraak heeft op een belang van 4,9% in het aandelenkapitaal van gedaagde, conform een optieregeling zoals opgenomen in zijn arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst bevatte een bepaling dat een optieregeling nader zou worden overeengekomen met een uitoefenperiode van maximaal vijf jaar of eerder bij beursgang of verkoop.
Gedaagde stelde dat artikel 9 slechts Pro een intentie tot overeenstemming inhield en dat er geen afdwingbare aanspraak was. De rechtbank oordeelde echter dat artikel 9 concreet Pro genoeg was om een rechtens afdwingbare aanspraak op de optieregeling te geven, mede gelet op verklaringen tijdens de comparitie.
Verder werd geoordeeld dat onduidelijkheden omtrent de optieregeling niet ten nadele van eiser mochten komen en dat een vervalbeding bij tussentijds ontslag niet was overeengekomen. De rechtbank gelastte gedaagde binnen twee maanden de uitoefenprijs vast te stellen op basis van de met de fiscus overeen te komen waarde van gedaagde rond 11 december 1998.
De vordering dat de loonbelasting bij uitoefening voor rekening van gedaagde zou komen, werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Eiser heeft recht op een optieregeling van 4,9% aandelenbelang met een uitoefenperiode van maximaal vijf jaar; gedaagde moet binnen twee maanden de uitoefenprijs vaststellen.