ECLI:NL:RBUTR:2002:AD9830
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.G.Th. Engelberts
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht na opheffing schorsing WAO-uitkering
Eiser stelde beroep in tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar tegen de schorsing van zijn WAO-uitkering per 1 april 1998, omdat hij werkzaamheden verrichtte. Verweerder heeft de schorsing per 1 augustus 2000 opgeheven en de uitkering hervat, waarmee hij volledig tegemoet is gekomen aan het bezwaar van eiser.
De rechtbank oordeelde dat het beroep mede gericht was tegen het besluit van 18 mei 2001 waarin het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard wegens termijnoverschrijding. Door de opheffing van de schorsing en het hervatten van de uitkering bestond er geen procesrechtelijk belang meer bij het beroep tegen het uitblijven van een beslissing.
Eiser gaf aan dat zijn belang lag in het verkrijgen van een proceskostenvergoeding en een vergoeding van de eigen bijdrage. De rechtbank stelde vast dat deze kosten uitsluitend konden worden gegenereerd door het instellen van beroep, waardoor sprake was van kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht.
Omdat verweerder geen vergoeding van proceskosten had verzocht en geen kosten had opgegeven die voor vergoeding in aanmerking kwamen, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. De uitspraak werd op 1 maart 2002 door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Utrecht gewezen.
Uitkomst: Beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belang en kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht.