ECLI:NL:RBUTR:2002:AD8244
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aansprakelijkheid voor loonbelasting- en premieschuld wegens ontbreken vaste inrichting
De ontvanger van de Belastingdienst vordert betaling van een aanzienlijke belastingschuld van een Poolse vennootschap van gedaagde, stellende dat gedaagde als leider van de vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in Nederland aansprakelijk is. De rechtbank onderzoekt of gedaagde als zodanig kan worden aangemerkt volgens artikel 33 Invorderingswet Pro 1990 en het belastingverdrag tussen Nederland en Polen.
Uit de feiten blijkt dat gedaagde via een Engelse vennootschap diensten verrichtte voor de Poolse vennootschap, waaronder het onderhouden van contacten met Nederlandse opdrachtgevers en administratieve handelingen. De overeenkomst tussen de vennootschappen wijst echter op een ondersteunende en uitvoerende rol zonder beslissingsbevoegdheid.
De rechtbank concludeert dat er geen duurzame structuur aanwezig is waarin gedaagde beslissingen van dagelijks bestuur nam, zodat geen sprake is van een vaste inrichting. Ook is gedaagde niet als vaste vertegenwoordiger aan te merken, mede omdat hij slechts met voorafgaande toestemming contracten mocht afsluiten. De vordering wordt daarom afgewezen en de ontvanger veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de Belastingdienst wordt afgewezen wegens het ontbreken van een door gedaagde geleide vaste inrichting of vaste vertegenwoordiging in Nederland.