ECLI:NL:RBUTR:2001:AB1424
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt over onredelijk bezwarend karakter van relatiebeding in detacheringsovereenkomst
In deze zaak stond de geldigheid van een relatiebeding in een detacheringsovereenkomst centraal, waarin werd verboden dat de opdrachtgever gedetacheerde werknemers in dienst neemt binnen zes maanden na afloop van de opdracht. De werknemer was gedurende een bepaalde periode gedetacheerd bij de opdrachtgever, waarna zij rechtstreeks in dienst trad bij die opdrachtgever.
De rechtbank oordeelde dat het relatiebeding indirect het grondwettelijk recht op vrije arbeidskeuze van de werknemer beperkte. Hoewel het beding op zichzelf niet onredelijk bezwarend werd geacht in de verhouding tussen de opdrachtgever en het detacheringsbureau, was de toepassing ervan in deze zaak onaanvaardbaar. Dit vanwege het feit dat het detacheringsbureau de opdrachtgever niet tijdig had geïnformeerd over het vertrek van de werknemer, waardoor de opdrachtgever niet tijdig maatregelen kon treffen.
De rechtbank stelde vast dat de werknemer vrij was om bij de opdrachtgever in dienst te treden omdat het relatiebeding in de arbeidsovereenkomst nietig was op grond van de Arbeidsvoorzieningenwet. Gelet op de omstandigheden, waaronder het belang van de opdrachtgever bij voortzetting van de werkzaamheden en het feit dat de werknemer op tijdelijke basis bij het detacheringsbureau in dienst was, werd het beroep op het relatiebeding door het detacheringsbureau afgewezen.
De vordering tot betaling van een contractuele boete door de opdrachtgever werd daarom afgewezen en de opdrachtgever werd in de proceskosten van het detacheringsbureau veroordeeld.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot betaling van de boete af wegens onaanvaardbaarheid van het relatiebeding en veroordeelt het detacheringsbureau in de proceskosten.