ECLI:NL:RBUTR:2001:AB0595
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.H.M. Jansen
- J.E. Kruijff-Bronsing
- M.L. van der Bel
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs seksueel misbruik
De rechtbank Utrecht behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van seksueel misbruik van twee pupillen binnen de Camphill Gemeenschap Christophorus. De tenlastelegging betrof meerdere seksuele handelingen die verdachte zou hebben gepleegd tijdens zijn functie als groepsleider.
De zaak kwam voort uit meldingen van grensoverschrijdend gedrag in maart 1996, waarna ouders werden geïnformeerd en later aangifte deden in 1997 en 1998. Er werden studioverhoren gehouden met de betrokken jongens A en B. De rechtbank stelde echter ernstige twijfels bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van beide jongens, mede vanwege hun beperkte geestelijke vermogens en de lange tijdsduur tussen de vermoedelijke feiten en de aangiften.
De verklaringen van A werden als onbetrouwbaar beoordeeld vanwege mogelijke beïnvloeding en onduidelijkheid over de grens tussen fantasie en werkelijkheid. De verklaring van B werd als chaotisch en onsamenhangend ervaren, zonder onomstotelijk bewijs van ongeoorloofd gedrag. Ook aanvullende verklaringen van derden boden onvoldoende ondersteuning.
Gezien het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs verklaarde de rechtbank de ten laste gelegde feiten niet bewezen en sprak verdachte vrij. Dit vonnis werd uitgesproken op 19 maart 2001 door de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van seksueel misbruik.