ECLI:NL:RBUTR:2000:AA9509
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Den Os-Brand
- Hofmeijer-Rutten
- Van Breevoort-de Bruin
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs van letsel
De rechtbank Utrecht behandelde op 19 december 2000 een strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van het veroorzaken van letsel. De officier van justitie vorderde primair aanhouding van de zaak voor onderzoek naar terbeschikkingstelling en subsidiair een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk.
De rechtbank oordeelde dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen. Cruciaal was het ontbreken van bewijs dat het slachtoffer letsel had opgelopen door het handelen van verdachte. De verklaring van een hoofdverpleegkundige kon niet als bewijs dienen omdat deze was verkregen door het omzeilen van het beroepsgeheim van de behandelend arts, die op verzoek van het slachtoffer weigerde informatie te verstrekken.
De rechtbank vond dat het maatschappelijk belang bij eerbiediging van het beroepsgeheim zwaarder woog dan het belang van het bewijs, waardoor het bewijs onrechtmatig was verkregen. Zonder andere wettige bewijsmiddelen kon het ten laste gelegde niet worden bewezen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij en beval onmiddellijke invrijheidstelling.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.