ECLI:NL:RBUTR:2000:AA8467

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
1 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
93839/HA ZA 98-2803
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ontslag op staande voet wegens racistische bedreigingen en wangedrag op de werkvloer

Appellant werd op staande voet ontslagen nadat hij in de nacht van 27 op 28 februari 1997 zijn Turkse collega bedreigde met de woorden "Ik snij je de strot af, klote Turk". Uit getuigenverklaringen blijkt dat appellant zich gedurende zijn dienstverband herhaaldelijk schuldig maakte aan racistische uitlatingen en wangedrag jegens buitenlandse collega’s.

De werkgever had appellant meerdere malen aangesproken op zijn gedrag, hoewel deze gesprekken niet formeel waren. Appellant erkende sommige uitspraken, bagatelliseerde zijn gedrag en nam de waarschuwingen niet serieus. De rechtbank oordeelt dat de werkgever niet verplicht was appellant expliciet te waarschuwen voor ontslag op staande voet.

Gezien de ernst van de bedreiging en de voorgeschiedenis van wangedrag, was het ontslag op staande voet gerechtvaardigd. De grieven van appellant worden verworpen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet van appellant wegens racistische bedreigingen en wangedrag wordt bekrachtigd.

Uitspraak

VONNIS
van de arrondissementsrechtbank te
Utrecht, meervoudige kamer voor de
behandeling van burgerlijke zaken,
in de zaak van:
[appellant],
wonende te [...],
eiser in het hoger beroep,
procureur:
mr. R.J.M. Hampsink,
- t e g e n -
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[geïntimeerde],
gevestigd te [...],
gedaagde in het hoger beroep,
procureur:
mr. R. Moszkowicz.
Dit vonnis is een vervolg op het op 7 juli 1999 in deze zaak uitgesproken tussenvonnis.
6.
Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1
Het verdere verloop van het geding in hoger beroep blijkt uit de volgende processtukken:
- proces-verbaal van getuigenverhoor van 22 februari 2000;
- proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 2 mei 2000;
- proces-verbaal van tegenverhoor van 11 juli 2000.
6.2
[appellant] heeft vervolgens vonnis gevraagd onder overlegging van de gedingstukken van beide instanties.
7.
De bewijsopdracht
Bij het tussenvonnis is [geïntimeerde] toegelaten te bewijzen dat [appellant] zich in het verleden regelmatig schuldig heeft gemaakt aan wangedrag jegens buitenlandse medewerkers van haar bedrijf en daarop door of namens haar is aangesproken.
8.
De getuigenverklaringen
De getuigen hebben onder meer verklaard:
[...]
9.
De verdere beoordeling van het hoger beroep
9.1
Naar het oordeel van de rechtbank is [geïntimeerde] geslaagd in het haar opgedragen bewijs, zoals volgt uit het onderstaande.
9.2
Blijkens de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] heeft [appellant] tijdens zijn dienstverband met [geïntimeerde] meermalen tegen Turkse collega's , met name [...] gezegd: "Ik maak Turks gehakt van je". Van deze personen zijn schriftelijke verklaringen in de Turkse taal en bijbehorende Nederlandse vertalingen d.d. 19 maart 1997 overgelegd, die onder meer inhouden: [...].
[appellant] heeft, blijkens zijn getuigenverklaring, erkend dat hij meermalen tegen [getuige 3] heeft gezegd: "klote Turk". Voorts heeft hij verklaard dat hij zich niet herinnert dat hij tegen een collega heeft gezegd "Ik maak Turks gehakt van je", maar het is, aldus [appellant], wel mogelijk dat hij dat gezegd heeft.
Uit voormelde getuigenverklaringen en schriftelijke verklaringen blijkt dat [appellant] meermalen scheldwoorden heeft gebezigd en/of uitlatingen heeft gedaan, die als discriminerend en beledigend zijn aan te merken jegens Turkse collega's van hem. Dat de Turkse collega's de scheldwoorden en uitlatingen als zodanig hebben ervaren, blijkt eveneens uit die verklaringen.
9.3
[appellant] heeft voorts, blijkens de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en hemzelf, met een mes een beweging gemaakt, terwijl hij achter een andere buitenlandse (Marokkaanse) collega van hem, genaamd [getuige 4], stond. De reden daarvan was, dat de vorige dag, aldus [appellant], problemen tussen [getuige 4]en hem waren geweest.
In de schriftelijke verklaring van [getuige 4] d.d. 12 maart 1997 is daaromtrent vermeld:
"Op 11 juli '96 kreeg ik na een paar woorden over en weer een groot broodblik tegen mij aangesmeten; op 12 juli '96 stond [appellant] met een mes plastic zakken te snijden, en stond ik naast hem brood in te pakken. Volgens de verklaring van de bedrijfsleider haalde [appellant] het mes achterlangs mijn hals. Het moment zelf had ik niet in de gaten, wel toen ik mij omdraaide en hem pal achter mij zag staan. Hij was nog kwaad van de vorige dag: schreeuwde "rot Marokkaan, rot op naar je eigen land" (.....)".
9.4
Uit het vorenstaande blijkt dat [appellant] zich vóór het voorval in de nacht van 27 op 28 februari 1997 (naar aanleiding waarvan hij op staande voet is ontslagen) regelmatig heeft schuldig gemaakt aan wangedrag jegens buitenlandse medewerkers.
9.5
Voorts blijkt uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] dat [appellant] op zijn wangedrag jegens Turkse collega's meermalen is aangesproken door [getuige 2], in diens functie van bedrijfsleider. Daaraan doet niet af dat bedoelde gesprekken niet het karakter van een (formeel) functioneringsgesprek hadden.
[appellant] heeft, blijkens zijn getuigenverklaring, erkend dat [getuige 2] hem meerdere keren heeft aangesproken, nadat collega's erover hadden geklaagd dat zij door hem, [appellant], waren afgebekt of gekleineerd. Uit zijn getuigenverklaring blijkt tevens dat hij zijn misdragingen bagatelliseert en dat hij de aanmerkingen van [getuige 2] niet serieus nam. [appellant] had echter, gelet op de aard van zijn misdragingen, de reacties daarop van zijn buitenlandse collega's en de aanmerkingen van [getuige 2], behoren te begrijpen dat zijn gedragingen niet door de beugel konden en dat voor zijn werkgever op een gegeven moment de maat vol zou zijn. [geïntimeerde] behoefde daarbij [appellant] niet (expliciet) te waarschuwen dat hij het risico liep (op staande voet) ontslagen te worden als hij zo doorging. Voor [geïntimeerde] was de maat vol
toen [appellant] in de nacht van 27 op 28 februari 1997 zijn collega [getuige 3] de volgende woorden toevoegde: "Ik snij je de strot af, klote Turk". [appellant] heeft in verband hiermee spijt betuigd en aangevoerd dat dit voorval zich voordeed na een werkweek van 62 uur. Dit betoog kan [appellant] echter niet baten. Gezien de ernst van laatstbedoelde bedreiging alsook gelet op de hiervoor weergegeven voorgeschiedenis, waaruit blijkt dat [appellant] zich vaker jegens (onder anderen) genoemde [getuige 3] had misdragen, kon van [geïntimeerde] redelijkerwijs niet gevergd worden de dienstbetrekking met [appellant] te laten voortduren.
9.6
Dit een en ander leidt tot de conclusie dat de onder 4.1 van het tussenvonnis weergegeven vraag bevestigend moet worden beantwoord.
Ook volgt daaruit dat de grieven falen en dat het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd.
9.7
[appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, worden veroordeeld.
10.
De beslissing
De rechtbank:
10.1
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
10.2
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, tot op deze uitspraak begroot op f. 1.220,--- aan verschotten en op f. 2.150,-- aan salaris, en verklaart dit vonnis wat betreft deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. P.W. van Schendel, M.L. van der Bel en C.A.M. Walsteijn en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 1 november 2000.