Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBUTR:1999:AF0498

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
2 november 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
FT-RK 99.651
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • G.C. van Kekem
  • H.G. Ruijs
  • W.W. de Nijs Bik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 sub b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw aangegane schulden na faillissement

Verzoekster diende een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling voor haar eenmanszaak, die een voortzetting vormde van een failliete vennootschap waarvan haar vader grootaandeelhouder was.

Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de eenmanszaak slechts in naam voor rekening van verzoekster werd gedreven, terwijl de feitelijke bedrijfsvoering volledig door haar vader werd uitgevoerd. Verzoekster had geen invloed op het bedrijf en onttrok zich daarmee aan haar verantwoordelijkheden.

De rechtbank oordeelde dat de schulden van de eenmanszaak onverplicht en niet te goeder trouw waren aangegaan. Op grond van artikel 288 lid 2 sub b van Pro de Faillissementswet werd het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen wegens niet te goeder trouw aangegane schulden.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Utrecht,
Meervoudige kamer
X., wonende te P.
verzoekster,
heeft op 15 september 1999 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Verzoekster is, met de heer Y., haar vader, verschenen ter zitting van 2 november 1999.
De eenmanszaak Z. wordt gedreven voor rekening van verzoekster.
Deze eenmanszaak is een voortzetting van de failliete vennootschap A. waarvan de vader van verzoekster grootaandeelhouder was.
Ter zitting is komen vast te staan dat de eenmanszaak slechts in naam voor rekening van verzoekster werd gedreven en dat in feite verzoekster geen enkele invloed had op de bedrijfsvoering, waarmee uitsluitend haar vader zich bezig hield.
Nu verzoekster zich aldus volledig heeft onttrokken aan haar verantwoordelijkheden, moet het ervoor worden gehouden dat zij de - omvangrijke - schulden van de eenmanszaak onverplicht en mitsdien niet te goeder trouw is aangegaan.
Zulks brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat het verzoek op grond van art. 288 lid 2 sub b Fw Pro. dient te worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
-wijst het verzoek af;
Gewezen door mrs. G.C. van Kekem, voorzitter, H.G. Ruijs en W.W. de Nijs Bik, leden van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van november 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.