Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBUTR:1999:AF0441

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
2 februari 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
96450/FT RK 99.41
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • S.J.G.N.M. Willard
  • H.G. Ruijs
  • W.W. de Nijs Bik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 sub b FW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw toescheiding schulden

Verzoeker is sinds 1992 vennoot in een vennootschap onder firma, die in 1998 werd ontbonden. Bij de verdeling van het huwelijks- en vennootschappelijk vermogen na scheiding en ontbinding heeft verzoeker alle schulden aan zich laten toescheiden. De schuldenlast bedraagt ruim 629.000 gulden, grotendeels ontstaan vóór de ontbinding.

De rechtbank constateert dat verzoeker geen aannemelijke reden heeft gegeven voor deze eenzijdige toescheiding van schulden en concludeert dat verzoeker niet te goeder trouw is geweest zoals bedoeld in artikel 288 lid 2 sub b Faillissementswet Pro. De situatie duidt op een poging de schuldenlast te verzwaren ten koste van de ex-echtgenote en de voormalige vennoot.

Op grond van deze bevindingen weigert de rechtbank toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het verzoek wordt derhalve afgewezen en de schuldenaar blijft aansprakelijk voor de volledige schuldenlast.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw toescheiding van schulden.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Utrecht
Meervoudige kamer
X., wonende
verzoeker
heeft op 27 januari 1999 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 2 februari 1999.
Verzoeker is verschenen en bijgestaan door zijn advocaat mr. R.D.C. Jonker.
Beoordeling
1. Verzoeker is - naar zijn eigen verklaring - per 1 januari 1992 een vennootschap onder firma aangegaan met A. van Cooten. Van Cooten hield zich met name met de financiële gang van zaken bezig. Tot en met 1996 zijn er jaarstukken opgesteld.
2. Gelet op de deplorabele situatie waarin het bedrijf zich bevond is verzoeker in april 1998 van zijn echtgenote gescheiden en heeft hij in het kader van de verdeling van de tussen hem en haar bestaand hebbende gemeenschap van goederen, alle schulden aan zich laten toescheiden waarna zijn ex-echtgenote zich op haar 'eigen verkoopkantoortje' is gaan toeleggen.
3. Per 1 augustus 1998 is de V.O.F. tussen verzoeker en Van Cooten ontbonden. Verzoeker heeft het bedrijf als eenmanszaak voortgezet. Bij de ontbinding heeft verzoeker alle schulden aan zich laten toescheiden en heeft Van Cooten in dienst genomen.
4. De schuldenlast bedraagt thans fl 629.300,42. Het grootste deel van deze schulden dateert van vóór 1 augustus 1998. Het bedrijf heeft de afgelopen drie jaren verlies geleden.
5. Verzoeker heeft geen aannemelijke reden gegeven waarom hij bij de verdeling van zowel het huwelijksvermogen alsmede het vennootschappelijk vermogen alle schulden aan zich heeft laten toescheiden.
6. Daarom wordt ervan uitgegaan dat zich hier de situatie voordoet als bedoeld in art. 288 lid 2 sub b FW Pro. namelijk dat aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest.
7. Gelet op alle voormelde feiten en omstandigheden is er reden de toepassing van de schuldsaneringsregeling te weigeren.
8. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.
BESLISSING
De rechtbank:
- wijst het verzoek af;
Gewezen door mrs S.J.G.N.M. Willard, voorzitter, H.G. Ruijs en W.W. de Nijs Bik, leden van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.