ECLI:NL:RBSHE:2010:BP1112

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
31 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10-1338
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 27 WWArt. 7:678 BWArt. 7:677 BWArt. 22a WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet

Eiser was sinds 1999 in dienst als chauffeur bij een bedrijf en werd in februari 2009 geconfronteerd met een taakvermindering door omzetdaling. Hij werd overgeplaatst naar magazijnwerk, wat hij weigerde uit te voeren. Na herhaalde sommaties verscheen hij niet op het werk en werd hij op staande voet ontslagen. De kantonrechter bevestigde dit ontslag wegens dringende reden.

Eiser vroeg WW-uitkering aan, die aanvankelijk werd toegekend. Na ontvangst van de ontslagbeschikking besloot het UWV de uitkering met ingang van juni 2010 te beëindigen wegens verwijtbare werkloosheid. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank oordeelde dat het oorspronkelijke besluit onvoldoende was gemotiveerd, maar dat de nadere motivering tijdens de procedure voldoende was om de rechtsgevolgen in stand te laten.

De rechtbank benadrukte dat de weigering van redelijk geachte opdrachten, ook al heeft de werknemer bezwaren, een dringende reden kan vormen voor ontslag op staande voet. De werkgever had de bedrijfsorganisatorische belangen afgewogen en de werknemer was niet arbeidsongeschikt verklaard. Eiser kon dus redelijkerwijs worden verwacht de magazijnwerkzaamheden uit te voeren. Het niet verschijnen op het werk en de weigering leidden tot verwijtbare werkloosheid.

Hoewel het UWV aanvankelijk fouten maakte in de beoordeling en toekenning van de WW-uitkering, stond dit niet aan het opleggen van de maatregel in de weg. De rechtbank veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.

Uitkomst: De blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wordt gehandhaafd met ingang van 3 juni 2010.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 10/1338
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 december 2010
inzake
[eiser],
te [woonplaats],
eiser,
tegen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),
te Amsterdam,
verweerder,
gemachtigde M.J.H. Maas, werkzaam bij het Uwv-kantoor te Eindhoven.
Procesverloop
Bij besluit van 3 maart 2010 heeft verweerder de uitkering van eiser ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 22 februari 2010 beëindigd [lees: ingetrokken].
Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 14 april 2010 gegrond verklaard. Pas in maart 2010 heeft verweerder vastgesteld dat eiser verwijtbaar werkloos geworden is. Het is niet eisers fout dat zijn ontslag aanvankelijk niet goed beoordeeld is. Daarom wordt bij de beslissing tot beëindiging van de WW-uitkering van eiser om zorgvuldigheidsredenen, alsnog, een uitlooptermijn in acht genomen. De WW-uitkering van eiser wordt per een toekomende datum, te weten met ingang van 3 juni 2010, blijvend geheel geweigerd.
Eiser heeft tegen het laatstgenoemde besluit beroep ingesteld.
Bij brief van 7 mei 2010 heeft eiser tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 11 juni 2010 toegewezen. Bij deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de werking van het bestreden besluit van 14 april 2010 wordt opgeschort en dat met ingang van 3 juni 2010 tot zes weken nadat op het beroep is beslist aan eiser alsnog een WW-uitkering betaalbaar moet worden gesteld. Deze uitkering zal bij wijze van een voorschot worden betaald.
De zaak is behandeld op de zitting van 27 september 2010, waar eiser samen met zijn vader is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
Overwegingen
1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 14 april 2010 in rechte stand kan houden.
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3. Eiser is op 1 april 1999 bij de besloten vennootschap [A], gevestigd te Helmond, in dienst getreden in de functie van chauffeur. Begin februari 2009 heeft een gesprek tussen werkgever en eiser plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is aan de orde gebracht dat vanwege een aanzienlijke omzetdaling de taak van eiser in belangrijke mate is weggevallen. Ter compensatie hiervan zijn eiser, in afwachting van andere ontwikkelingen, werkzaamheden op de logistieke afdeling (magazijn) aangeboden. Dit met behoud van het salaris. Eiser heeft te kennen gegeven hiermee niet akkoord te gaan. Eiser heeft zich vervolgens tot de arbo-arts gewend maar deze heeft eiser op 10 februari 2009 niet arbeidsongeschikt geacht. Wel heeft de arbo-arts geadviseerd over de ontstane situatie in gesprek te treden. Eiser is vervolgens niet op zijn werk verschenen. Bij brief van 4 maart 2009 is eiser verzocht op maandag 9 maart 2009 op het werk te verschijnen. Omdat eiser hier geen gehoor aan heeft gegeven, is hij bij aangetekend verzonden brief van 9 maart 2009 vervolgens gesommeerd om op woensdagmorgen 11 maart 2009 om 8.00 uur op het werk te verschijnen. Omdat eiser hier geen gehoor aan heeft gegeven, is eiser bij brief van 11 maart 2009 op staande voet ontslagen wegens herhaalde weigering de aan hem opgedragen en op te dragen werkzaamheden uit te voeren. Dit ontslag op staande voet is vervolgens niet door eiser aan de rechter voorgelegd. Bij beschikking van de kantonrechter van 16 juni 2009 is de arbeidsovereenkomst, indien en voor zover deze nog zou bestaan, per datum van de beschikking, vanwege gewichtige redenen, ontbonden. Hierbij is eiser geen vergoeding toegekend. Eiser heeft met ingang van 17 juni 2009 een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 10 augustus 2009 is aan eiser aanvankelijk, met ingang van 17 juni 2009, een WW-uitkering toegekend. Nadat verweerder de hierboven genoemde beschikking van de kantonrechter heeft ontvangen, heeft verweerder alsnog besloten de WW-uitkering met ingang van (uiteindelijk) 3 juni 2010 te beëindigen.
4. Aan het bestreden besluit ligt verweerders standpunt ten grondslag dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden uit zijn dienstverband bij zijn voormalig werkgever [A].
Daartoe heeft verweerder aangevoerd dat eiser op staande voet is ontslagen, nadat hij tot tweemaal toe is gesommeerd op het werk te verschijnen om de werkzaamheden uit te voeren zoals met hem is afgesproken tijdens het gesprek op 9 februari 2009. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de beschikking van de kantonrechter van 16 juni 2009, waarin deze eisers ontslag wegens een dringende reden heeft bevestigd. Gelet hierop dient de WW-uitkering van eiser volgens verweerder blijvend geheel te worden geweigerd. Verweerder heeft daarbij aanleiding gezien de WW-uitkering met ingang van 3 juni 2010 te beëindigen. Verweerder houdt om redenen van zorgvuldigheid rekening met een uitlooptermijn, zodat eiser zich voor kan bereiden op de stopzetting van zijn WW-uitkering.
5. Eiser kan zich ook met verweerders beslissing op bezwaar niet verenigen. Op grond van het beroepschrift en het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat eiser het niet eens was met de keuze van zijn werkgever hem in te zetten in het magazijn. Voor een overplaatsing naar het magazijn ontbrak volgens eiser de noodzaak, omdat het personeel dat eind 2008 in het magazijn werkzaam was toen al geen volledige dagtaak meer had. Van onderbezetting in het magazijn was volgens eiser geen sprake.
Eiser heeft verder aangevoerd dat er volgens hem voldoende chauffeurswerkzaamheden voorhanden waren. Tijdens vakanties heeft eiser gedurende een periode van drie maanden een aantal collega-chauffeurs vervangen. Eiser beheerste al hun taken. Ook is één van de chauffeurs na het ontslag van eiser met pensioen gegaan. Zijn voormalig werkgever heeft niemand aangetrokken om die chauffeur te vervangen. Al met al ziet eiser voldoende indicaties dat hij in zijn functie als chauffeur helemaal niet overbodig was. Volgens eiser was er sprake van een gedwongen overplaatsing waarmee hij niet akkoord hoefde te gaan. Eiser vond steun voor zijn opvatting in het juridisch advies dat hij naar aanleiding van zijn overplaatsing heeft ingewonnen.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
7. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt.
Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt.
8. Ingevolge artikel 7:678, eerste lid, van het BW worden voor de werkgever als dringende redenen in de zin van het eerste lid van artikel 7:677 van Pro het BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dringende redenen zullen op grond van het tweede lid onder andere aanwezig geacht kunnen worden wanneer de werknemer (onder j) hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten, hem door of namens de werkgever verstrekt.
9. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW weigert het Uwv de uitkering blijvend geheel, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, opgelegd niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Uwv de uitkering gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen naar 35 over de volledige duur van de uitkering, maar ten hoogste over een periode van 26 weken.
10. In de toelichting op de vierde nota van wijziging (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 370, nr. 20) wordt aangegeven dat de toets naar verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW alleen ziet op gedragingen in de zin van artikel 7:678 van Pro het BW. Volgens de toelichting wordt daarmee de rechtspraak over het begrip dringende reden van toepassing op deze toets. Uit rechtspraak van de Hoge Raad over het begrip dringende reden volgt dat bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking moeten worden genomen. Daarbij behoren in de beschouwing te worden betrokken de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. In navolging van de voorzieningenrechter stelt de rechtbank vast dat uit de motivering van het bestreden besluit onvoldoende blijkt of en in hoeverre verweerder alle relevante omstandigheden van het geval bij zijn beoordeling heeft betrokken. Het bestreden besluit berust dan ook nhiet op een deugdelijke motivering, zoals bedoeld in artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers beroep slaagt. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal vernietigd worden.
11. Hangende het beroep bij de rechtbank heeft verweerder, bij zijn verweerschrift van 20 mei 2010 en bij een brief van 14 juli 2010, alsnog aandacht besteed aan de voornoemde jurisprudentie van de Hoge Raad. De rechtbank ziet in deze stukken en in de daarin geboden uitgebreide, aanvullende motivering aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
12. Overeenkomstig hetgeen verweerder in zijn brief van 14 juli 2010 heeft aangevoerd acht de rechtbank bij haar boordeling van belang dat een werknemer op de voet van de artikelen 7:660 en 7:611 van het BW verplicht is zich te houden aan de voorschriften omtrent het verrichten van de arbeid alsmede aan die welke strekken ter bevordering van de goede orde in de onderneming van de werkgever, door of namens de werkgever binnen de grenzen van algemeen verbindende voorschriften, of overeenkomst aan hem, al dan niet tegelijk met andere werknemers, gegeven. Daarbij geldt in de arbeidsrechtelijke jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder de uitspraak van 26 april 1996, te vinden op www.rechtspraak.nl, LJN: AD2541, als uitgangspunt dat het weigeren te voldoen aan een opdracht die, ook al heeft de werknemer daartegen steekhoudende bezwaren, na afweging daarvan tegen het belang dat de werkgever bij die opdracht heeft, als ‘redelijk’ moet worden aangemerkt, in beginsel een dringende reden oplevert voor een ontslag op staande voet. Onder bijzondere omstandigheden kan dit anders zijn.
13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft aangenomen dat de bezwaren die eiser had tegen de aan hem opgedragen magazijnwerkzaamheden niet als zodanig zwaarwegend kunnen worden aangemerkt dat in redelijkheid niet van hem kon worden gevergd deze werkzaamheden uit te voeren. In dit verband overweegt de rechtbank dat het op de weg van de werkgever ligt afwegingen op bedrijfsorganisatorisch gebied te maken en daarbij de consequenties voor de inzet van het personeel te betrekken. In het geval van eiser betekende dit dat hem (voorlopig) magazijnwerk werd opgedragen. De rechtbank laat in het midden wat er zij van de hierbij door eiser geplaatste kanttekeningen. Nergens blijkt dat eiser de bekwaamheid of de geschiktheid miste om de opgedragen functie uit te oefenen. De arbo-arts achtte eiser niet arbeidsongeschikt. Met een aantal van de door eiser aangevoerde bezwaren heeft de werkgever duidelijk en kenbaar rekening gehouden. Eiser werd toegezegd dat hij twee dagen in de week chauffeurswerkzaamheden zou blijven verrichten en dat hij zou worden ingewerkt in het magazijn. De rechtbank ziet geen aanleiding te veronderstellen dat de werkzaamheden niet in redelijkheid aan eiser konden worden opgedragen. Daarbij heeft de rechtbank gelet op de bedrijfseconomische situatie en de in het kader daarvan te maken keuzes, zoals die door de werkgever in de stukken uitgebreid zijn toegelicht.
14. Vast staat dat eiser vanaf 10 februari 2009 niet meer op het werk is verschenen en dat hij met de aan hem opgedragen werkzaamheden in het magazijn nooit is begonnen. Vaststaat tevens dat eiser geen gehoor heeft gegeven aan herhaalde, schriftelijke sommaties van zijn werkgever op het werk te verschijnen en de opgedragen werkzaamheden uit te voeren. Onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht heeft gesteld dat aan de werkloosheid van eiser een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Pro Boek 7 van het BW. Er was immers sprake van een herhaalde (volgehouden) werkweigering. Als gevolg van dit gedrag van eiser kon van zijn werkgever redelijkerwijze niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De rechtbank acht tevens van belang dat de werkgever van eiser de werkweigering ook als een dringende reden heeft ervaren. Eiser is op staande voet ontslagen. Aan het bestaan van een dringende reden doet niet af dat eiser zich, naar zijn zeggen, onveranderd beschikbaar hield om werkzaamheden als chauffeur te verrichten.
15. De rechtbank oordeelt dat in het verweerschrift en in verweerders brief van 14 juli 2010 voldoende is toegelicht dat de in acht te nemen omstandigheden zoals hiervoor bedoeld - de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zouden hebben -, mede gelet op de hiervoor aangehaalde jurisprudentie, aan het bestaan van een dringende reden in het onderhavig geval niet kunnen afdoen. Met verweerder is de rechtbank bovendien van oordeel dat eiser van het ontstaan van de dringende reden, die aanleiding gaf tot het ontslag op staande voet, een verwijt kan worden gemaakt. Het was eisers eigen keuze niet te voldoen aan een redelijke opdracht van zijn werkgever en - ook na herhaalde sommaties - niet op het werk te verschijnen.
16. In het beroepschrift voert eiser nog aan dat hij er vanuit is gegaan dat verweerder ook bij de beoordeling van zijn WW-aanvraag al op de hoogte was van de omstandigheden waaronder zijn ontslag tot stand is gekomen. Eiser was dan ook verbaasd toen achteraf bleek dat de reeds aan hem toegekende WW-uitkering alsnog beëindigd werd. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
17. In artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW is, voor zover in deze zaak van belang, bepaald dat het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering herziet of intrekt, indien de uitkering ten onrechte is verleend. Op grond van het tweede lid kan het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
18. Op grond van de overgelegde stukken stelt de rechtbank allereerst vast dat eiser in zijn WW-aanvraag - die hij invulde op 24 juli 2009 - heeft vermeld dat zijn arbeidsovereenkomst met ingang van 16 juni 2009 door een ontbinding door de kantonrechter beëindigd was. Na telefonische navraag bij eiser verkreeg verweerder op 13 augustus 2009 van hem een afschrift van de beschikking van de kantonrechter. Pas na kennisname van die beschikking werd verweerder duidelijk dat eiser in feite al op 11 maart 2009 op staande voet ontslagen was. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst vond nadien plaats zoals voormeld. Dit gebeurde op verzoek van de werkgever en enkel “voor zover deze nog bestaat”. Tegen het ontslag op staande voet heeft eiser niets ondernomen. Vaststaat dan ook dat de arbeidsovereenkomst van eiser per 11 maart 2009 door dit ontslag geëindigd is.
19. Aan eiser moet worden toegegeven dat verweerder beter had kunnen wachten met het afgeven van een toekenningsbeslissing totdat alle voor de vaststelling van het recht op WW relevante gegevens bij hem bekend waren. In het verweerschrift geeft verweerder dit ook toe. Verweerder stelt dat om hem onduidelijke redenen, helaas, op 10 augustus 2009 een toekenningsbeslissing is afgegeven, terwijl nog niet alle feiten bekend waren. Het is ook ongelukkig te noemen dat vervolgens pas maanden later, in maart 2010, een definitieve beoordeling heeft plaatsgevonden. Hierdoor is in een zeer laat stadium - en voor eiser onverwacht - (alsnog) tot blijvend gehele weigering besloten. Hoewel deze gang van zaken geen schoonheidsprijs verdient, is de rechtbank van oordeel dat het rechtszekerheidsbeginsel niet in de weg stond aan het (later alsnog) opleggen van de nu bestreden maatregel eiser de door hem gevraagde uitkering blijvend geheel te weigeren. Op grond van artikel 22a van de WW was verweerder verplicht de uitkering te herzien of in te trekken. Verweerder heeft dit niet met terugwerkende kracht gedaan. Uiteindelijk is een uitlooptermijn in acht genomen van drie maanden, gerekend vanaf de datum van bekendmaking van verweerders primair besluit van 3 maart 2010. Na kennisname van dat besluit moet eiser duidelijk zijn geweest dat hij mogelijk geen recht (meer) had op een WW-uitkering. De omstandigheid dat eerder in de gevalsbehandeling fouten zijn gemaakt door verweerder, verandert het oordeel van de rechtbank niet. Verweerder behield het recht gemaakte fouten te herstellen.
20. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht en op goede gronden aan eiser (alsnog) de maatregel heeft opgelegd van een blijvend gehele weigering van de WW-uitkering. Verweerders besluit de uitkering van eiser met ingang van 3 juni 2010 te beëindigen, kan de rechterlijke toets doorstaan.
21. Omdat het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek vernietigd wordt, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 14,50 terzake door eiser gemaakte reiskosten.
21. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 41,00 dient te vergoeden.
Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven (dit betekent dat de blijvend gehele weigering van de WW-uitkering van eiser met ingang van 3 juni 2010 blijft bestaan);
- gelast verweerder aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ad € 41,00;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 14,50.
Aldus gedaan door mr. B.A.J. Zijlstra als rechter in tegenwoordigheid van mr. P.W.T. Landman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 december 2010.
<HR>
<i>Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</i>
Afschriften verzonden: