ECLI:NL:RBSHE:2010:BL7905

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
196353 HA ZA 09-1606
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 BWArt. 6:234 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arbitragebeding in algemene voorwaarden aannemer wegens onvoldoende informatieverstrekking

In deze zaak staat een geschil tussen een onderaannemer en een aannemer centraal, waarbij de aannemer zich op een arbitragebeding in haar algemene voorwaarden beroept om de rechter onbevoegd te laten verklaren. Artikel 16 van Pro de algemene voorwaarden verwijst naar een geschillenregeling tussen de aannemer en diens opdrachtgever, waarin het arbitragebeding is opgenomen. De onderaannemer stelt echter dat zij niet voldoende is geïnformeerd over deze verwijzing en de inhoud van het arbitragebeding.

De rechtbank oordeelt dat hoewel de algemene voorwaarden aan de onderaannemer zijn overgelegd, de aannemer de overeenkomst met de opdrachtgever, waarin het arbitragebeding is opgenomen, niet aan de onderaannemer heeft verstrekt. Hierdoor heeft de aannemer de onderaannemer niet een redelijke mogelijkheid geboden om kennis te nemen van de volledige inhoud van de algemene voorwaarden. De stelling dat de onderaannemer als professionele partij bekend zou zijn met de gebruikelijke arbitrage in bouwzaken wordt verworpen.

Op grond van artikel 6:233 onder Pro b juncto 6:234 BW wordt het arbitragebeding in artikel 16 van Pro de algemene voorwaarden vernietigd. De incidentele vordering van de aannemer om de rechter onbevoegd te verklaren wordt afgewezen. De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden tot de hoofdzaak is beslist.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van de aannemer af en vernietigt het arbitragebeding in haar algemene voorwaarden wegens onvoldoende informatieverstrekking aan de onderaannemer.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 196353 / HA ZA 09-1606
Vonnis in incident van 10 maart 2010
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ELRO BOUW B.V.,
gevestigd te Someren,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. P.A. Schippers,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HOUTA BOUW B.V.,
gevestigd te Geldrop,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. M. Westphal.
Partijen zullen hierna Elro en Houta genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis in het incident van 30 september 2009
- de akte van Houta van 21 oktober 2010.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
2.1. De rechtbank heeft Houta bij het tussenvonnis van 30 september 2009 in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het verweer van Elro, waaronder een beroep op de vernietigbaarheid ingevolge artikel 6:233 onder Pro b juncto 6:234 BW van artikel 16 van Pro de algemene voorwaarden van Houta. Houta heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt, waarna Elro, hoewel daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, niet een antwoordakte heeft genomen.
2.2. Artikel 16 van Pro de algemene voorwaarden van Houta (productie 2 bij dagvaarding) luidt als volgt:
“Alle geschillen - daaronder begrepen die, welke slechts door een der partijen als zodanig worden beschouwd - die naar aanleiding van deze overeenkomst of van overeenkomsten die daarvan een uitvloeisel zijn, tussen aannemer en onderaannemer mochten ontstaan, worden beslecht op de wijze zoals in de overeenkomst tussen aannemer en diens opdrachtgever is voorzien ten aanzien van eventuele geschillen tussen de aannemer en diens opdrachtgever.”
2.3. Artikel 9 van Pro de overeenkomst tussen de aannemer (rechtbank: Houta) en diens opdrachtgever luidt als volgt:
“De geschillenregeling van de U.A.V. 1989 is van toepassing. De procedure bij de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland zal geen openbaar karakter hebben.”
2.4. Vaststaat dat Houta haar algemene voorwaarden, waaronder voornoemd artikel 16,
vóór of bij het sluiten van de overeenkomsten met Elro aan Elro ter hand heeft gesteld.
Evenwel staat tevens vast dat Houta de door haar met de opdrachtgever gesloten overeenkomst, waarnaar in artikel 16 van Pro haar algemene voorwaarden ter bepaling van de wijze van geschillenbeslechting wordt verwezen, niet vóór of bij het sluiten van de overeenkomsten met Elro aan Elro ter hand heeft gesteld. Nu bovendien uit artikel 16 niet Pro blijkt op welke wijze in de overeenkomst tussen Houta en haar opdrachtgever in geschillenbeslechting is voorzien, heeft Houta in zoverre aan Elro niet een redelijke mogelijkheid geboden om van de volledige inhoud van de algemene voorwaarden kennis te nemen.
Niet gesteld of gebleken is dat het voor Houta redelijkerwijs niet mogelijk was om
aan Elro de met de opdrachtgever gesloten overeenkomst ter hand te stellen teneinde Elro een redelijke mogelijkheid te bieden om kennis te nemen van het in die overeenkomst in artikel 9 opgenomen Pro arbitraal beding.
Houta stelt in haar akte van 21 oktober 2010 dat Elro, als professionele partij, en haar raadsman er bekend mee zijn, althans behoren ermee bekend te zijn dat bouwgerelateerde geschillen in de regel beslecht worden door de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland (hierna: de Raad van Arbitrage) en niet door de gewone rechter. Wat daar ook van zij, het enkele feit dat in bouwzaken doorgaans een dergelijke wijze van geschillenbeslechting plaatsvindt, sluit niet uit dat daar in een concreet geval van wordt afgeweken. De stelling van Houta leidt dan ook niet tot de conclusie dat Elro ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten met Houta bekend was dan wel geacht kon worden bekend te zijn met de concrete inhoud van de in artikel 16 van Pro de algemene voorwaarden bedoelde wijze van geschillenbeslechting. Evenmin is anderszins gesteld of gebleken van feiten en omstandigheden die deze conclusie rechtvaardigen.
Uit het in de artikelen 6:233 onder b BW juncto artikel 6:234 BW Pro gehanteerde systeem volgt verder niet dat op de wederpartij van de gebruiker van algemene voorwaarden ter zake van de inhoud van deze voorwaarden een onderzoeksplicht rust. Houta heeft in haar akte van 21 oktober 2010 dan ook ten onrechte Elro tegengeworpen dat zij heeft nagelaten bij Houta of de raadsman van Houta te informeren of de Raad van Arbitrage of de gewone rechter bevoegd was om van geschillen tussen Elro en Houta kennis te nemen.
Het standpunt van Houta dat onderhavig geschil beter door de Raad van Arbitrage als bouwdeskundig arbiter dan door de gewone rechter kan worden beoordeeld en beslecht, wat daar ook van zij, kan niet leiden tot het oordeel dat aan Elroeen beroep op vernietigbaarheid zou moeten worden ontzegd.
2.5. Gezien het voorgaande roept Elro met recht op grond van het bepaalde in artikel 6:233 onder Pro b BW juncto artikel 6:234 BW Pro de vernietigbaarheid in van artikel 16 van Pro de algemene voorwaarden van Houta. Nu de incidentele vordering reeds gelet daarop dient te worden afgewezen, behoeven de overige weren geen bespreking meer.
2.6. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1. wijst het gevorderde af,
3.2. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,
in de hoofdzaak
3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 april 2010 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2010.