AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Familie veroordeeld voor deelname aan criminele organisatie en vermogensdelicten
De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft op 15 november 2005 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die samen met familieleden werd verdacht van meerdere vermogensdelicten en deelname aan een criminele organisatie. De feiten betroffen onder meer diefstallen uit winkels en woningen verspreid over verschillende gemeenten in Nederland tussen 2003 en 2005.
De bewezenverklaring omvatte diverse diefstallen waarbij de verdachte en haar medeverdachten zich toegang verschafte door braak en gebruik van valse sleutels, evenals deelname aan een georganiseerde criminele organisatie binnen de familie. Bewijsmiddelen bestonden uit getuigenverklaringen, beeldmateriaal van beveiligingscamera’s en tapgesprekken. De rechtbank oordeelde dat de verdachte een uitvoerende rol had binnen de organisatie en dat het gestructureerde verband impact had op de samenleving.
De rechtbank sprak verdachte vrij van enkele feiten wegens onvoldoende bewijs. De strafmaat werd vastgesteld op 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €1692,32 aan een benadeelde partij, met een subsidiaire hechtenis van 33 dagen bij niet-betaling. De inbeslaggenomen goederen werden deels onttrokken aan het verkeer en deels teruggegeven aan verdachte en de benadeelde partijen.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en betaling van €1692,32 schadevergoeding.
Uitspraak
RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH
Parketnummer: 01/889001-05
Uitspraakdatum: 15 november 2005
VERKORT VONNIS
Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaatsats] op [geboortedatum] 1957,
wonende te [woonplaats], [adres].
thans verblijvende: PIV Breda te Breda
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 mei 2005, 3 augustus 2005, 31 oktober 2005 en 1 november 2005.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 april 2005.
Nadat de tenlastelegging conform artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering op de terechtzitting van 3 augustus 2005 is aangepast, wordt verdachte thans tenlastegelegd dat
1.
zij op of omstreeks 15 november 2003 in de gemeente Haarlem
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een kast in een magazijn
van een winkelpand, gelegen aan de Kruisweg, heeft weggenomen ongeveer
Euro 1156.-, in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele
toebehorende aan [slachtoffer] in elk geval aan een ander of anderen dan aan
verdachte en/of haar mededader(s),
waarbij verdachte en/of haar mededader(s) dat geld onder haar/hun bereik
heeft/hebben gebracht door een of meer lade(n) van die kast open te breken, in
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De geldigheid van de dagvaarding.
De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.
De bevoegdheid van de rechtbank.
Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.
Ten aanzien van de tenlastegelegde deelname aan een criminele organisatie acht de rechtbank zich bevoegd nu het begin van uitvoering van de (beoogde) misdrijven in Nederland is gelegen.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.
Schorsing der vervolging.
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.
De bewijsbeslissing.
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte 4 en 6 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de feiten heeft begaan zoals is weergegeven op het in dit vonnis opgenomen afgestreepte afschrift van de aangepaste dagvaarding. (zie hierna)
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Algemene bewijsoverweging
Ten aanzien van een belangrijk deel van de bij de onderscheiden verdachten ten laste gelegde feiten blijkt uit de aanwezige bewijsmiddelen een zeer specifieke modus operandi bij de diefstallen en inbraken in vereniging. In essentie geven getuigen en/of beeldmateriaal het beeld van een groep van 6 tot 8 personen, bestaande uit mannen en vrouwen. Men stelt in bijna alle zaken in het Engels vragen aan het aanwezige winkelpersoneel. Indien er geen ontdekking op heterdaad is, wordt vaak door getuigen beschreven dat de groep ineens weer vertrekt uit de winkel waarna men ontdekt dat geld en/of goederen zijn weggenomen. Hierna volgt per feit een meer precieze opsomming van de redengevende feiten en omstandigheden voor de bewijsbeslissingen van de rechtbank.
BF 002 Haarlem, 15 november 2003, sigarenzaak,
Met betrekking tot dit feit zijn er geen wegnemingshandelingen waargenomen of vastgelegd. Evenmin bestaan er directe sporen (zoals vingerafdrukken). De ontdekking van de diefstal volgde ongeveer 15 minuten na het vertrek van het gezelschap dat bestond uit leden van de familie [naam familie], te weten onder meer [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 6], [medeverdachte 2] en [verdachte]. De eigen waarneming van de rechtbank komt op dit punt overeen met de bevindingen van de verbalisanten aangaande de herkenning van fotoprints. De rechtbank kent mede bewijswaarde toe aan het gegeven dat [verdachte], van wie bekend is uit andere feiten dat zij direct betrokken is bij wegnemingshandelingen, gedurende enige tijd niet te zien is op de veelheid aan beelden van de beveiligingscamera’s en zij tussentijds de winkel niet door de normale toegangsdeur heeft verlaten (o.a. pag. 88) . Het tijdverschil van een uur tussen het beeldmateriaal en de werkelijke tijd wordt verklaard in het dossier op pag. 69.
Deze herkenningen laten, in combinatie met de specifieke, uit andere feiten bekende, modus operandi, geen andere slotsom open dan dat een of meer leden van het daar aanwezige gezelschap de gekwalificeerde diefstal hebben gepleegd. Tenslotte heeft de rechtbank ook acht geslagen op de omstandigheid dat, ook wanneer de verdachte werd geconfronteerd met voor haar belastende feiten en omstandigheden, zij zich telkens heeft beroepen op het zwijgrecht.
BF 007 Purmerend, 20 augustus 2004, Tamoil
Met betrekking tot dit feit bestaan bewegende beelden waarop duidelijk te zien is dat de verdachten
[medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 6], [medeverdachte 2], [verdachte], ter plaatse zijn en hetgeen zij daar doen. De rechtbank onderschrijft het betreffende beschrijvende proces-verbaal op basis van haar eigen waarneming van het bij het dossier gevoegde beeldmateriaal. Duidelijk kan worden waargenomen dat de stepjes worden weggenomen. Verder is te zien dat een als zodanig herkenbaar familielid het ter plaatse aanwezige personeel afleidt en dat de andere verdachten die ter plaatse zijn duidelijk bijdragen aan de drukke sfeer waarin het afleiden van het winkelpersoneel kennelijk centraal staat.
BF 008 Papendrecht, 15 september 2004, Marskramer
Uit de beschrijving van aangever en getuigen in de winkel volgt een modus operandi die past binnen die van de overige bewezen verklaarde feiten: een grotere groep personen van wie een groot deel veel en rare vragen, in het Nederlands en in het Engels, stelt over producten in de winkel. De beschrijvingen die de getuigen geven omtrent de personen die zij “niet vertrouwen”, passen binnen de bij andere feiten gegeven beschrijvingen van leden van de familie [naam familie]. Voor de deur van het magazijn werd een personeelslid “opgevangen” door een man en een oudere vrouw, die genoemd personeelslid tegen hielden. Na vertrek uit de winkel rennen de leden van de groep naar twee auto’s. Van de kentekens van deze twee auto’s is er een rechtstreeks en de tweede met aanpassing van een letter herleid naar [medeverdachte 3]. De rechtbank kent eveneens relevante bewijswaarde toe aan de inhoud van de tapgesprekken die korte tijd later worden gevoerd, waaruit naar het oordeel van de rechtbank precies kan worden afgeleid dat men bijna betrapt is en wie bij dit feit aanwezig zijn geweest.
BF 012 Castricum, 7 oktober 2004, Kruidvat
Met betrekking tot dit feit ontbreken herkenning(en) van een of meer verdachten op basis van getuigenverklaringen en/of beeldmateriaal. De wel in het dossier aanwezige bewijsmiddelen geven evenmin een directe link met de plaats van het misdrijf. Het enkele feit dat eerder op die dag twee auto’s en een aantal leden van de familie [naam familie] zijn gezien in Beesd (enkele tientallen kilometers van Castricum) is onvoldoende om te komen tot het wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van een of meer verdachten. Het feit dat er sprake is van een wit klein hondje dat qua ras zou kunnen passen en de inhoud van mededelingen door een van de vrouwen in de winkel dat zij zwanger was, maken dat niet anders. Ook het feit dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] , van wie bekend is dat zij als chauffeur zijn opgetreden bij andere, wel bewezen, strafbare feiten, op het tijdstip van de diefstal in Castricum zijn geweest leidt evenmin tot een ander oordeel.
BF 017 Rotterdam, 13 februari 2004, Blokker (poging)
Met betrekking tot dit feit bestaan bewegende beelden waarop duidelijk te zien is dat de verdachten : [medeverdachte 3], [medeverdachte 9], [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] ter plaatse zijn.
De rechtbank onderschrijft het betreffende beschrijvende proces-verbaal op basis van haar eigen waarneming van het bij het dossier gevoegde beeldmateriaal. Uit de inhoud van de aangifte (m.n. pag. 882 en 883) kan niet anders worden afgeleid dan dat een of meer leden van deze groep (drie mannen en een vrouw) in het gedeelte van de winkel dat niet is bestemd voor het personeel is geweest en daar de deur van een kantoorruimte hebben geforceerd, waarna twee laden werden geopend. Uit deze gang van zaken kan, mede gelet de uit andere zaken bekende modus operandi, worden afgeleid dat het hele optreden van een deel van de groep (het vragen stellen) er toe strekte andere leden van de groep in staat te stellen geld of andere waardevolle goederen te stelen. De rechtbank betrekt bij deze duiding het gegeven dat verdachte, nadat zij werd geconfronteerd met deze voor haar belastende feiten en omstandigheden, zich is blijven beroepen op haar zwijgrecht. Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen, en zullen de hierboven genoemde verdachten worden veroordeeld voor dit feit.
De beweerdelijke herkenning van [medeverdachte 4] in het proces-verbaal wordt niet onderschreven door de rechtbank, zodat zij zal worden vrijgesproken van dit feit.
WO 006, Zandvoort, 24 juli 2004
De in de woning aangetroffen vingerafdruk is afkomstig van [medeverdachte 6]. Mede gelet op de vindplaats van deze vingerafdruk (op de opengebroken bureaulade) is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een daderspoor. De verklaring van de verdediging, die er op neerkomt dat het vingerspoor afkomstig is van verdachte bij een eerdere (poging tot) woninginbraak acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk, nog daargelaten de verder implicaties van het door de raadsman gevoerde verweer. Uit de aangifte is namelijk niet gebleken dat er bij een eerder bezoek van een groep onregelmatigheden zijn geconstateerd en ook overigens is niet aannemelijk geworden dat verdachte een voorverkenning heeft uitgevoerd. Dit bewijsmiddel, gecombineerd met de uit de aangifte blijkende modus operandi, levert het wettig en overtuigend bewijs tegen [medeverdachte 6] in deze zaak, zodat hij voor dit feit zal worden veroordeeld.
In deze zaak ontbreken betrouwbare herkenning(en) van een of meer verdachten op basis van getuigenverklaringen en/of beeldmateriaal. De wel in het dossier aanwezige bewijsmiddelen geven ten aanzien van [medeverdachte 3] en [verdachte] evenmin een directe link met de plaats van het misdrijf. Ook het feit dat er een auto is gezien met een kenteken dat op naam staat van [medeverdachte 3] leidt evenmin tot een ander oordeel.
[medeverdachte 3] en [verdachte] zullen derhalve worden vrijgesproken.
WO 007, Enschede, 13 oktober 2004
Ten tijde van het plegen van dit feit was er in het kader van de opsporing een bevel observatie afgegeven door de officier van justitie. Uit de observatie blijkt dat de groep personen die later is aangehouden in betrekkelijk korte tijd een groot aantal winkels heeft bezocht, alvorens de winkel annex woning van [slachtoffer] binnen te gaan. Doordat de buit, zoals aangetroffen bij [verdachte] en andere verdachten, is herkend door aangever staat, in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, vast dat genoemde diefstal is gepleegd. De rechtbank acht dit delict een “Gav”-feit in optima forma, waarbij de eerder en vaker gehanteerde modus operandi van de organisatie in alle details duidelijk naar voren komt. De rechtbank baseert de hoogte van het weggenomen geldbedrag op de aanvankelijke aangifte van [slachtoffer] en de op de dag van de aangifte onder verdachten inbeslaggenomen geldbedragen, welke beide bedragen nagenoeg overeenkomen. Gelet op het beschikbare wettige en overtuigende bewijs tegen verdachte zullen zij voor dit feit worden veroordeeld.
Ten aanzien van de criminele organisatie (feit 8)
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van artikel 140 vanPro het Wetboek van Strafrecht dient er sprake te zijn van deelname aan een gestructureerd samenwerkingsverband, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Van deelname is sprake indien men behoort tot het samenwerkingsverband en de deelnemer (tenminste) wetenschap heeft dat er misdrijven worden gepleegd door/binnen het samenwerkingsverband waar hij of zij deel van uitmaakt, waarbij om iemand te kunnen aanmerken als deelnemer iemand tenminste hetzij een aandeel heeft in, hetzij ondersteunt, de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de betreffende organisatie. Om te kunnen spreken van een organisatie is verder nodig dat blijkt van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, hetgeen kan blijken uit gemeenschappelijke regels en doelstellingen, maar ook uit een zekere gelaagdheid van het samenwerkingsverband en/of een rolverdeling tussen en positie van de individuele deelnemers binnen het samenwerkingsverband. Ook interne vormen van sanctioneren van overtreden van die regels of een gezamenlijk optreden naar buiten kunnen wijzen op het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband.
Voor een familie geldt dat de eigen juridische en sociale structuur, ondanks grote verschillen tussen families onderling, op een aantal punten overeenkomsten vertoont met de hierboven genoemde, in eerdere jurisprudentie strafrechtelijk relevant beoordeelde, aspecten van een criminele organisatie. Dit betekent echter niet dat reeds sprake is van een criminele organisatie indien meerdere leden van een familie tezamen misdrijven plegen. Daarvan is slechts sprake indien komt vast te staan dat door die familieleden die deze misdrijven begaan of die deze misdrijven doelbewust ondersteunen, de in die familie bestaande gezagsverhoudingen, relaties, rolverdeling, structuur en regels doelbewust en met een zekere stelselmatigheid en bestendigheid worden ingezet om te kunnen komen tot het plegen van deze misdrijven. In dat geval is immers bij die personen sprake van het oogmerk tot het plegen van misdrijven aanwezig binnen een familiestructuur die dan voor die betrokken personen tevens is aan te merken als een criminele organisatie.
In deze zaak is duidelijk gebleken van een dergelijke aanwending van de reeds bestaande familiestructuur door een aantal verdachten. Gedurende een langere periode en bij een behoorlijk aantal gekwalificeerde diefstallen is telkens -in wisselende samenstelling, maar met een min of meer vaste werkwijze- een aantal familieleden betrokken. Verder blijkt uit onder andere de verhoren en afgeluisterde telefoongesprekken dat het voor een aanzienlijk deel van de familieleden (niet alleen de bij de dan te plegen strafbare feiten betrokken personen, maar ook een aantal andere familieleden) volstrekt helder was wat men ging doen wanneer men met een aantal van hen in Nederland of (later) daarbuiten een of meer dagen op “Gav” ging, te weten dat men dan letterlijk en figuurlijk “op dievenpad” ging. Alle personen van wie vast is komen te staan dat zij met die wetenschap “op Gav” gingen en/of later vanuit die wetenschap welbewust deelden in de tijdens die “Gav”-feiten gemaakte buit, zijn daarmee deel gaan uitmaken van deze criminele organisatie.
In onderhavige zaak is uit de resultaten van het onderzoek gebleken dat zeker niet alle familieleden bij de strafbare feiten waren betrokken, terwijl tevens is vastgesteld dat er duidelijke onderlinge verschillen zijn aan te wijzen in de mate waarin de individuele verdachten zijn betrokken bij de gepleegde misdrijven en de verdere (familie)setting waarbinnen deze misdrijven hebben plaatsgehad.
Het gegeven dat de verdachten in deze strafzaak als bloed- of aanverwant deel uitmaken van een hechte [naam familie] doet aan het vorenstaande niet af. Hetzelfde geldt voor de door de verdediging aangevoerde stelling dat een dergelijke veroordeling mogelijk bij derden vooroordelen of negatieve gevoelens op zou kunnen wekken ten opzichte van [naam familie]s of andere, vergelijkbare, statenloze (familie)groepen. De rechtbank stelt op dit punt slechts vast dat een dergelijke algemene gevolgtrekking bij die derden onjuist zou zijn, en heeft er zich verder toe beperkt de resultaten van het onderzoek in deze zaak op de eigen merites te beoordelen binnen het hiervoor door haar geschetste toetsingskader.
Bij de bestraffing van dit feit zal de rechtbank aan de rol van [medeverdachtee 1], [verdachte] en
[medeverdachte 2] een zwaarder gewicht toekennen, aangezien de rechtbank ten aanzien van deze drie personen een zwaarder aandeel en rol bewezen acht binnen de hier bedoelde criminele organisatie.
[medeverdachte 2] heeft een leidinggevende positie gehad bij het uitvoeren van de misdrijven. [verdachte] voerde bij de gepleegde misdrijven veelal de wegnemingshandeling uit en beheerde het buitgemaakte geld.
Ten aanzien van de verdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] volgt uit de tapgesprekken en de veelheid aan strafbare feiten waarbij zij bij betrokken zijn geweest dat deze drie verdachten een zware, vooral uitvoerende, rol hebben gehad binnen de organisatie.
[medeverdachte 10] zal eveneens worden veroordeeld ter zake de hem ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie. Uit hetgeen bewezen is verklaard in zijn strafzaak blijkt reeds zijn meer dan incidentele deelname aan Gav-gerelateerde, gekwalificeerde, diefstallen. Zijn rol binnen de organisatie beoordeelt de rechtbank als lichter dan die van de hiervoor genoemde deelnemers.
De kwalificatie.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
De strafbaarheid.
Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te hare laste bewezen is verklaard.
DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID
De eis van de officier van justitie.
Gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest.
Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij Tabakszaak “Jean Licot”(BF-002) tot een bedrag van € 800,- hoofdelijk met oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot het bedrag van € 800,- subsidiair 16 dagen hechtenis.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] (WO-006) dient als niet ingediend te worden beschouwd omdat benadeelde geen schadebedrag heeft ingevuld op het voegingsformulier.
Niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] (W0-007) omdat deze niet eenvoudig van aard is.
Ten aanzien van het beslag:
Onttrekking aan het verkeer van het voorwerp op lijst onder 1.
Retour aan [slachtoffer] voorwerpen genummerd 2, 3 en 4.
Retour aan verdachte voorwerpen genummerd 5, 6, 7 en 8.
De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).
Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:
a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,
b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:
- de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
- het gestructureerde en georganiseerde verband waarin verdachte de feiten pleegden heeft impact gehad op de samenleving en met name op de betrokken winkeliers, waarbij in sommige gevallen zelfs de woning annex aan de winkel van de betreffende winkelier werd doorzocht.
Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheid die tot matiging van de straf heeft geleid:
- de zwaarte van de detentie, namelijk dat gedurende de gehele detentietijd bezoek door familieleden en/of andere personen niet is of zal zijn toegestaan, naar de rechtbank begrijpt vanwege het ontbreken van identiteitsdocumenten;
De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.
Bij de bepaling van die vrijheidsstraf heeft de rechtbank geen acht geslagen op de uitleveringsdetentie nu deze uit andere hoofde en voorafgaande aan de thans tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten heeft plaatsgevonden en nu geen rechtsregel de rechtbank noopt tot verrekening.
Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat zij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij](feit 1; BF-002).
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.
De schade is onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.
De benadeelde partij kan deze onderdelen van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] (feit 6; WO-006).
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, omdat verdachte van dit feit wordt vrijgesproken en benadeelde geen schadebedrag op het voegingsformulier heeft vermeld.
De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] (feit 7; WO-007).
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade, het volgende onderdeel van de vordering:
Een oorbel tot een bedrag van €1692,32 (zijnde 62,5 % van een bedrag in guldens te weten 5967 omgezet in euro’s).
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren terzake het overige deel van haar vordering, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en haar mededader(s) samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is dat tot het begaan van het misdrijf is vervaardigd of bestemd en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte en [slachtoffer] nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen
respectievelijk [slachtoffer] redelijkerwijs als rechthebbende is aan te merken.
DE UITSPRAAK
Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 1:
diefstal, door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
T.a.v. feit 2:
diefstal door twee of meer verenigde personen
T.a.v. feit 3:
diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel braak en
het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse
sleutels
T.a.v. feit 5:
Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige
zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van
braak
T.a.v. feit 7:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
T.a.v. feit 8:
Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
BESLISSING:
T.a.v. feit 4, feit 6:
Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en