ECLI:NL:RBSHE:2004:AP6635
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vergoeding overlijdens- en letselschade na verkeersongeval met buitenlandse voertuigen en toepassing art. 25 lid 4 WAM
Op 8 juni 1999 vond op de snelweg A2 een ernstig verkeersongeval plaats tussen een Duitse auto met Belgische inzittenden en een Nederlandse vrachtwagen. Hierbij raakte [eiser sub 2] gewond en overleed [Q], echtgenoot van eiseres [eiser sub 1] en vader van haar drie minderjarige kinderen. [eiser sub 1] vordert vergoeding van kosten lijkbezorging en gederfde levensonderhoud voor zichzelf en haar kinderen, terwijl [eiser sub 2] schadevergoeding voor zijn letsel verlangt.
De aansprakelijkheid van de betrokken bestuurders is onduidelijk. Eisers vorderen primair schadevergoeding van het Waarborgfonds op grond van art. 25 lid 1 WAM Pro, omdat niet vaststaat wie aansprakelijk is. Subsidiair richten zij zich tot de verzekeraars Hannover en het Nederlands Bureau. Het geschil spitst zich toe op de uitleg van art. 25 lid 4 WAM Pro, dat bepaalt dat bij verschil van mening tussen het Waarborgfonds en een verzekeraar de eerst aangesprokene moet vergoeden.
De rechtbank oordeelt dat [eiser sub 1] een machtiging van de kantonrechter nodig heeft om namens haar minderjarige kinderen op te treden, ook al wonen zij in België. De rechtbank wijst het standpunt van het Waarborgfonds af dat eisers hun rechten verliezen door eerst een verzekeraar aan te spreken. Art. 25 lid 4 WAM Pro beschermt juist het slachtoffer tegen vertraging in schadevergoeding. Verder wordt het beroep op eigen schuld wegens niet dragen van autogordels afgewezen, gezien de situatie in 1999.
De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid om aanvullende informatie te verstrekken en houdt verdere beslissing aan. De zaak wordt op 21 juli 2004 opnieuw behandeld.
Uitkomst: De rechtbank houdt verdere beslissing aan en stelt partijen in de gelegenheid aanvullende informatie te verstrekken en machtiging aan te tonen.