ECLI:NL:RBSHE:2002:AH9902

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 mei 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
80045
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • C.W.P. van Gelder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 283 RvArt. 130 RvArt. 429i Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking voorlopige voorziening gebruik woning en alimentatiebetaling na scheiding

De rechtbank 's-Hertogenbosch behandelde op 22 mei 2002 een verzoek van de vrouw betreffende voorlopige voorzieningen na het verlaten van de echtelijke woning door de man in oktober 2001. De vrouw verzocht onder meer om het exclusieve gebruik van de woning en alimentatie met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2002.

De rechtbank oordeelde dat het niet onredelijk of onbillijk was om de alimentatie met terugwerkende kracht vast te stellen, aangezien de man erop bedacht had kunnen zijn dat de vrouw dit zou vorderen. De financiële draagkracht van de man werd vastgesteld aan de hand van zijn inkomen, inclusief een 13e maand en rekening houdend met fiscale aspecten en woonlasten.

De rechtbank bepaalde dat de vrouw het exclusieve gebruik van de woning aan een adres te een woonplaats krijgt toegewezen en beval de man de woning te verlaten. Tevens werd de man verplicht een voorlopige alimentatie van €360 per maand te betalen, bij vooruitbetaling, ingaande 1 januari 2002. Het verzoek tot verdere voorzieningen werd afgewezen.

De rechtbank wees erop dat de vrouw in de bodemprocedure haar standpunten omtrent samenwoning en eventuele gevolgen voor alimentatie nader kan onderbouwen. Verder werd vastgesteld dat kosten voor ziektekosten en studiekosten van het kind in de berekening zijn meegenomen, terwijl herinrichtings- en advocaatkosten niet werden erkend wegens onvoldoende bewijs.

Uitkomst: De vrouw krijgt het exclusieve gebruik van de woning en de man moet vanaf 1 januari 2002 €360 per maand aan alimentatie betalen.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH
BESCHIKKING
Uitspraak : 22 mei 2002
Beschikking betreffende voorlopige voorzieningen in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
procureur mr. J.J. Geuze,
tegen:
[de man],
wonende te [woonplaats],
procureur mr. B. du Fossé,
partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vrouw en de man.
De procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift (met bijlagen) van de vrouw, ontvangen ter griffie op 24 april 2002.
De zaak is behandeld ter zitting van 15 mei 2002. Verschenen zijn: partijen en hun procureurs voornoemd.
Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.
De beoordeling
Ter zake van hetgeen waarover partijen overeenstemming hebben bereikt (echtelijke woning ) zal worden beslist als hierna is vermeld.
financiële positie man
Voor wat betreft de financiële omstandigheden van de man wordt verwezen naar de door mr. du Fossé overgelegde alimentatieberekening tenzij daarvan hierbij wordt afgeweken.
De rechtbank houdt in tegenstelling tot de man wel rekening met een 13e maand.
Bepalend voor de draagkracht is het totale inkomen dat iemand op jaarbasis geniet.
Nu de aftrekbaarheid van de lijfrentepremie door de verandering in de belastingwetgeving
beperkt is geworden, wordt rekening gehouden met een aftrek van € 1036,00 per jaar.
woonlasten
In het kader van de voorlopige voorzieningen zoals de zaak thans voorligt komt het de rechtbank niet gewenst voor dat de beslissing aangehouden wordt in verband met getuigenbewijs, hetwelk door de vrouw is aangeboden omtrent de samenwoning van de man, welke door de man ontkend wordt. Desgewenst kan de vrouw haar standpunten in de bodemprocedure nader toelichten en onderbouwen. De man dient zich te realiseren dat als alsnog komt vast te staan dat hij momenteel toch samenwoont dit reden voor de vrouw kan zijn om met terugwerkende kracht verhoging van de alimentatie te vragen.
De rechtbank gaat gelet op het voormelde thans uit van de door de man opgevoerde woonlasten.
ziektekosten
De vrouw heeft ter zitting verklaard dat de zoon sinds 1 januari 2002 verplicht verzekerd is, zodat de kosten van de zoon zijnde € 38,86 en € 12,99 in mindering dienen te worden gebracht op het door de man opgevoerde bedrag van € 163,38.
studiekosten
Er van uitgaande dat de man daadwerkelijk alle lasten van der partijen kind betaalt bestaande uit onder meer ƒ 3.000,00 (€ 1.361,34) collegeld, ƒ 1.200,00 (€ 544,54) boekengeld en overige lasten ongeveer ƒ 4.800,00 (€ 2.178,15), zal de rechtbank rekening houden met een maandlast terzake van € 340,33.
herinrichtingskosten
Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de man op dit moment schulden heeft moeten maken om herinrichtings- en advocaatkosten te moeten betalen, zodat met de opgevoerde herinrichtings- en advocaatkosten geen rekening dient te worden gehouden. Daarenboven heeft de man verklaard ƒ 15.000,00 (€ 6.806,70) te hebben opgenomen en heeft hij bovendien niet aannemelijk gemaakt of en zo ja waaraan dat geld is besteed.
ingangsdatum alimentatie
Het verzoek van de vrouw om de ingangsdatum voor het betalen van alimentatie te vervroegen, door te verzoeken deze te laten ingaan per 1 januari 2002, dient te worden gezien als een vermeerdering van eis. Op grond van het thans geldende artikel 283 Rv Pro. dient een dergelijk verzoek schriftelijk te geschieden. Onder het oude Rv. (429i Rv.) is een mondelinge wijziging c.q. vermeerdering van het verzoek bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verschillende malen geaccepteerd. De wijziging zoals thans aangebracht in artikel 283 Rv Pro. is volgens de MvT daarop geschiedt in verband met de uniformering van het procesrecht. De aard van de verzoekschriftprocedure brengt met zich mee dat deze in beginsel aan minder vormen is onderworpen dan de dagvaardingsprocedure. Nu uit de MvT niet blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om daarin wijziging te brengen, gaat de rechtbank er van uit dat de wetgever gemeend heeft een hoofdregel te moeten geven, mede in het kader van de uniformering van het procesrecht, welke echter niet uitsluit dat in bepaalde gevallen van die hoofdregel kan worden afgeweken. Daarbij moet met name gedacht worden aan gevallen waarin niet gezegd kan worden dat de andere belanghebbende onredelijk wordt bemoeilijkt in het maken van bezwaar c.q. het voeren van verweer, of dat er sprake is van een onredelijke vertraging van de procedure dan wel anderszins in strijd gehandeld wordt met de beginselen van een goede procesorde. Uiteraard zal in al die gevallen de omvang van het geding voor de betrokkenen duidelijk moeten zijn c.q. blijven en kunnen praktische, proceseconomische- en doelmatigheidsredenen een rol spelen.
In voormeld kader is ook van belang dat artikel 130 Rv Pro., hetwelk van overeenkomstige toepassing is verklaard, de wijze waarop bezwaar moet worden gemaakt niet regelt, zodat het de rechtbank vrijstaat om aan de andere betrokkene toe te staan het bezwaar mondeling dan wel schriftelijk te doen.
Gelet op het voormelde zal de rechtbank de mondelinge wijziging toestaan, ook al heeft de raadsman van de man mondeling als bezwaar aangevoerd dat die wijziging schriftelijk ingediend had moeten worden.
De man heeft nog gesteld dat het onredelijk is als de alimentatie met terugwerkende kracht wordt vastgesteld, maar dat standpunt wordt verworpen nu de man, die in oktober 2001 de echtelijke woning heeft verlaten, er op bedacht kon zijn dat de vrouw met terugwerkende kracht in rechte aanspraak zou maken op alimentatie en komt de rechtbank de verzochte ingangsdatum, te weten 1 januari 2002, niet onredelijk of onbillijk voor.
financiële positie van de vrouw
Voor het inkomen van de vrouw wordt verwezen naar de door mr. Geuze overgelegde draagkrachtberekening, tenzij daarvan hierbij wordt afgeweken.
In het kader van de inkomensvergelijking neemt de rechtbank als maandelijkse last in aanmerking het op de algemene bijstandswet gebaseerde normbedrag voor een alleenstaande, inclusief de maximale toeslag en te verminderen met de woonkostencomponent.
Uitgaande van vorenstaande gegevens, de relevante fiscale aspecten daarbij in aanmerking genomen, acht de rechtbank, na vergelijking van de financiële situaties van partijen, de man in staat na te melden bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen.
De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] te [woonplaats], met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze niet verder mag betreden;
verklaart dat deze beschikking tot zover zonodig met behulp van de sterke arm zal kunnen worden tenuitvoergelegd;
bepaalt het bedrag dat de man met ingang van 1 januari 2002 voorlopig moet betalen tot levensonderhoud van de vrouw op € 360,00 (driehonderdzestig euro) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.W.P. van Gelder, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2002, in aanwezigheid van de griffier.
- 3 -