ECLI:NL:RBSHE:2001:AD6570

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/1508
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 7:10 AwbArt. 87d Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring beroep tegen niet tijdig beslissen op bezwaar en proceskostenveroordeling

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat Lisv niet binnen de wettelijke termijn van zeventien weken heeft beslist, noch deze termijn heeft verlengd.

De rechtbank past artikel 8:54 Awb Pro toe en behandelt het beroep op vereenvoudigde wijze. Daarbij wordt vastgesteld dat Lisv de proceskosten van eiseres moet vergoeden, begroot op ƒ177,50 (€80,54) voor professionele rechtsbijstand. De rechtbank kiest voor een wegingsfactor van 0,25, in navolging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, vanwege het lichter gewicht van de zaak.

De rechtbank wijst het verzoek om een dwangsom af, bepaalt dat Lisv binnen vier weken na uitspraak een besluit op het bezwaar moet nemen en veroordeelt Lisv tot vergoeding van het gestorte griffierecht. Tegen deze uitspraak staat verzet open.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het Landelijk instituut sociale verzekeringen wordt veroordeeld tot het nemen van een besluit binnen vier weken en tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH
Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
UITSPRAAK
AWB 01/1508
Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen
A, wonende te B, eiseres,
gemachtigde mr. P. Ruitenberg,
en
het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, USZO B.V. gevestigd te Amsterdam, verweerder.
I. PROCESVERLOOP
Bij schrijven van 22 juni 2001, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 25 juni 2001, is door of namens eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen door verweerder van een besluit op bezwaar.
De griffier van de rechtbank heeft bij schrijven van 25 juni 2001 het beroepschrift (met bijlagen) doorgezonden naar verweerder met het verzoek binnen vier weken de op het beroep betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift in te dienen.
Verweerder heeft bij schrijven van 24 juli 2001 de op de procedure betrekking hebbende stukken, alsmede een een verweerschrift ingezonden.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:54, eerste lid aanhef en onder d van de Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is omdat het beroep kennelijk gegrond is. Na kennis te hebben genomen van de stukken, acht de rechtbank in het onderhavige geval termen aanwezig om van de vorenbedoelde bevoegdheid gebruik te maken.
In dit geding is aan de orde of het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar gegrond moet worden geacht.
Uit de door partijen overgelegde stukken maakt de rechtbank op dat verweerder op 4 mei 2000 een beslissing op de aanvraag van eiseres heeft genomen. Eiseres heeft bij schrijven van 8 juni 2000, op nader aan te voeren gronden, bezwaar tegen dit besluit aangetekend.
Verweerder heeft bij schrijven van 5 juli 2000 de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd.
Eiseres heeft bij schrijven van 29 juni 2000 de gronden van het bezwaar ingediend.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 7:10, eerste lid, Awb juncto artikel 87d van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering dient het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) binnen zeventien weken na ontvangst van het bezwaarschrift een beslissing te nemen. Ingevolge het derde en vierde lid van eerstgenoemd artikel heeft het Lisv de mogelijkheid deze termijn te verlengen.
Van deze mogelijkheid heeft het Lisv geen gebruik gemaakt.
Dit brengt met zich mee dat de termijn uiterlijk eindigde op 5 oktober 2000.
Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eiseres, gericht tegen het niet tijdig nemen door verweerder van een besluit op het ingediende bezwaar, voor gegrondverklaring in aanmerking komt. Gelet hierop kan het beroep, onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:54 van Pro de Awb, op vereenvoudigde wijze worden afgedaan.
Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal fl. 177,50
(€ 80,54) voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hierbij is de rechtbank uitgegaan van 1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 0,25. De rechtbank stelt vast dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in een geval als het onderhavige verschillende wegingsfactoren hanteren, te weten de CRvB een wegingsfactor van 0,5 en de ABRvS een wegingsfactor van 0,25. De rechtbank is tegenover rechtzoekenden niet in staat te motiveren waarom afhankelijk van het type bestuursrechtelijk geschil dat bij de rechtbank aanhangig wordt gemaakt en daarmee afhankelijk van het in die zaken bevoegde appèlcollege in identieke gevallen van een gegrond beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit een wegingsfactor van 0,5 respectievelijk 0,25 moet worden gehanteerd. De rechtbank heeft er om die reden voor gekozen in gevallen als hier aan de orde één lijn te volgen en wel die van de ABRvS. Waar het uitsluitend gaat om de vraag of de beslistermijn is overschreden en geen beoordeling van het materiële geschil plaatsvindt, is de rechtbank in navolging van de ABRvS van oordeel dat een vraag van lichter gewicht dan thans aan de orde zich niet snel zal voordoen. Gelet daarop heeft de rechtbank aanleiding gezien wegingsfactor 0,25 te hanteren.
Tevens acht de rechtbank termen aanwezig te bepalen dat door het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te worden vergoed.
De rechtbank ziet geen aanleiding het verzoek om een dwangsom toe te wijzen.
De rechtbank zal uitspraak doen op de voet van artikel 8:54 van Pro de Awb en wel als volgt.
III. BESLISSING
De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond;
- bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van uitspraak een besluit op het ingediende bezwaarschrift dient te nemen;
- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, vastgesteld op fl. 177,50 (€ 80,54);
- wijst het Lisv aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden;
- gelast het Lisv het gestorte griffierecht aan eiseres te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. J.W. Brunt als rechter in tegenwoordigheid van H.T. van Veen-de Bruin als griffier en uitgesproken in het openbaar d.d. 6 november 2001.
Tegen deze uitspraak staat het rechtsmiddel verzet open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de dagtekening van de verzending van het afschrift, een verzetschrift aan deze rechtbank te zenden. Daarin vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt, tevens dient u aan te geven of u in de gelegenheid gesteld wilt worden over het verzet te worden gehoord.
Afschrift verzonden:
LB