ECLI:NL:RBSHE:2001:AB2474
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Strijbos
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding voor seksueel misbruik door stiefvader aan minderjarige dochters
Eiseres sub 1 en eiseres sub 2, minderjarige dochters van de moeder van gedaagde, vorderen immateriële schadevergoeding wegens seksueel misbruik door gedaagde, die niet hun biologische vader is maar bij hen woonde. Het misbruik vond plaats in de periode mei 1992 tot mei 1996 voor eiseres sub 2 en oktober 1997 tot februari 1998 voor eiseres sub 1.
Gedaagde erkent het misbruik en de aansprakelijkheid, maar betwist de hoogte van de schadevergoeding en voert verweer op grond van beperkte draagkracht en matiging. De rechtbank neemt het proces-verbaal en eerdere strafrechtelijke veroordeling als bewijs en constateert ernstige psychische gevolgen bij de slachtoffers, waaronder minderwaardigheidsgevoelens, angst en een verstoorde psycho-seksuele ontwikkeling.
De rechtbank bepaalt de immateriële schadevergoeding schattenderwijs naar billijkheid, rekening houdend met de draagkracht van gedaagde en de aard van het misbruik. De vergoeding wordt vastgesteld op ƒ 3.000 voor eiseres sub 1 en ƒ 12.500 voor eiseres sub 2, vermeerderd met wettelijke rente vanaf respectievelijk 1 maart 1998 en 1 juni 1996. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoeding aan eiseressen wegens seksueel misbruik.