ECLI:NL:RBSHE:2001:AB0748
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- Bruggink
- Kobussen
- Droesen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding redelijke termijn in strafzaak Vie d'Or
De rechtbank 's-Hertogenbosch behandelde een strafzaak tegen verdachte in verband met internationale fraudezaken rond Vie d'Or. Het onderzoek was omvangrijk en complex, mede door internationale aspecten en meerdere betrokken verdachten. De zaak kende een lange doorlooptijd van ruim zeven jaar vanaf het begin van het opsporingsonderzoek.
De verdediging voerde aan dat het recht van verdachte op een behandeling binnen een redelijke termijn was geschonden, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank overwoog dat de overschrijding van de termijn gerechtvaardigd kon zijn vanwege de complexiteit, de internationale samenwerking en het streven naar gelijktijdige berechting van meerdere verdachten. Echter was de termijn uiteindelijk met vijf jaar overschreden.
De rechtbank stelde vast dat de houding van verdachte en de bevoegde autoriteiten mede hebben bijgedragen aan de vertraging. Desondanks woog het belang van verdachte bij een snelle berechting en de niet zeer ernstige aard van de feiten zwaarder dan het belang van de gemeenschap bij normhandhaving.
Daarom verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van verdachte wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dit vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer op 20 maart 2001.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn met vijf jaar.