ECLI:NL:RBSHE:2001:AB0659
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- Bruggink
- Kobussen
- Droesen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding redelijke termijn in strafzaak Vie d'Or
In deze strafzaak tegen verdachte in verband met financiële transacties rond Vie d'Or heeft de rechtbank vastgesteld dat de redelijke termijn voor berechting aanzienlijk is overschreden. De termijn begon in april 1994 en de uitspraak was gepland in april 2001, wat neerkomt op een overschrijding van vijf jaar ten opzichte van de gebruikelijke termijn van twee jaar.
De rechtbank overweegt dat de complexiteit van het onderzoek, het internationale karakter, het streven naar gelijktijdige berechting van meerdere verdachten en de behandeling door bevoegde autoriteiten de overschrijding deels rechtvaardigen. Niettemin heeft de cumulatie van vertragingen en onvoldoende voortvarendheid geleid tot een onaanvaardbare overschrijding.
De verdediging had geen invloed op de vertraging en het belang van de verdachte bij een tijdige berechting wordt zwaar meegewogen, mede vanwege de negatieve gevolgen van de langdurige procedure en publiciteit.
De rechtbank concludeert dat de belangenafweging tussen normhandhaving en het recht op een redelijke termijn in deze uitzonderlijke situatie leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van verdachte.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank 's-Hertogenbosch op 20 maart 2001.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn met vijf jaar.