ECLI:NL:RBSHE:2001:AB0208
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.H. Kobussen
- M.I. Heijning-Horst
- A.M. Kooijmans - de Kort
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak en nietigverklaring tenlastelegging
De rechtbank 's-Hertogenbosch behandelde een ontnemingsvordering van de officier van justitie tegen veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor diverse diefstal- en opzethelingfeiten. Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo) werd het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op ƒ 41.175,-.
De rechtbank beoordeelde de ontvankelijkheid van de vordering en constateerde dat de betekening van de vordering niet gelijktijdig met de sluiting van het sfo had plaatsgevonden, wat strijdig was met artikel 511b, derde lid Sv. Desondanks werd de vordering niet niet-ontvankelijk verklaard vanwege de korte termijn tussen beide betekeningen en het ontbreken van nadeel voor veroordeelde. Wel werd het ontnemingsbedrag met 5% verlaagd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het geschil spitste zich toe op drie feiten (6b subsidiair, 6c primair en 6d subsidiair). Het Gerechtshof sprak veroordeelde vrij van feit 6c en verklaarde de dagvaarding voor 6b en 6d nietig. De rechtbank mat het voordeel uit 6c op ƒ 1.000,-, het bedrag dat veroordeelde zelf noemde, omdat onvoldoende bewijs bestond dat hij het feit had begaan. Voor de overige feiten achtte de rechtbank het aannemelijk dat veroordeelde voordeel had genoten, mede vanwege zijn leidinggevende rol in de criminele organisatie.
Uiteindelijk legde de rechtbank veroordeelde op tot betaling van ƒ 29.997,- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, met een vervangende hechtenis van 120 dagen bij gebreke van betaling.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van ƒ 29.997,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, met vervangende hechtenis van 120 dagen bij gebreke van betaling.