ECLI:NL:RBSHE:2000:AA6844
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.W. Govers
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering AOW-toeslag wegens niet in aanmerking genomen pensioenuitkering
De rechtbank 's-Hertogenbosch behandelde het geschil over de herziening en terugvordering van een te veel betaalde AOW-toeslag aan de echtgenote van de pensioengerechtigde. De toeslag was oorspronkelijk toegekend zonder rekening te houden met een pensioenuitkering van de ex-echtgenoot van de echtgenote, waardoor de toeslag te hoog was vastgesteld.
Verweerder, de Sociale Verzekeringsbank, herzag de toeslag en vorderde terugbetaling van het te veel betaalde bedrag over de periode maart 1996 tot april 1998. De rechtbank maakte onderscheid tussen de periode voor en na de inwerkingtreding van de Wet Boeten op 1 augustus 1996. Voor de periode tot die datum oordeelde de rechtbank dat de herziening terecht was, omdat de pensioenuitkering als inkomen moest worden meegeteld.
Voor de periode na 1 augustus 1996 stelde de rechtbank vast dat verweerder niet had mogen afzien van terugvordering wegens het ontbreken van dringende redenen. Wel achtte de rechtbank dat er voor de periode vanaf 1 maart 1997 sprake was van een onaanvaardbare inertie van verweerder, die ondanks uitgebreide informatie over de pensioenuitkering niet tijdig had gehandeld. Daarom vernietigde de rechtbank het terugvorderingsbesluit en bepaalde dat alleen het te veel betaalde bedrag over 1 april 1996 tot 1 maart 1997 teruggevorderd mocht worden.
De rechtbank gelastte verweerder een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen en veroordeelde verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Partijen werd de mogelijkheid gegeven binnen zes weken hoger beroep in te stellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het terugvorderingsbesluit vernietigd, met de verplichting tot het nemen van een nieuw besluit.